Deze nota geeft een algemeen overzicht van de kosten van een gerechtelijke procedure voor de rechtbanken in België.
1.DAGVAARDINGSKOSTEN
In het algemeen worden procedures ingeleid met een dagvaarding, te betekenen door een gerechtsdeurwaarder. Dit gebeurt aan wettelijke tarieven en kost meestal tussen de 200 EUR en de 500 EUR per partij die moet worden gedagvaard. In een aantal gevallen kan een procedure ook ingeleid worden per verzoekschrift (bijvoorbeeld hoger beroep). In dat geval dient men enkel rolrechten te betalen. De dagvaardingskosten en rolrechten komen ten laste van de verliezende partij aan het einde van procedure. Zij moeten wel door de eisende partij voorgeschoten worden wanneer deze de factuur van deurwaarder ontvangt. De eiser kan deze kosten vervolgens op basis van het vonnis verhalen op de in het ongelijk gestelde partij. Bij insolventie van de verweerder zullen deze kosten definitief ten laste van de eiser blijven.
2.ROLRECHTEN
Dit is een belasting teneinde de zaak op de agenda van de rechtbank te zetten. De tarieven hangen af van de rechtbank. Een zaak inleiden bij de vrederechter kost 50 EUR, bij de rechtbank van eerste aanleg en de ondernemingsrechtbank is dit 165 EUR. Een zaak inleiden bij een Hof van Beroep kost 400 EUR en bij het Hof van Cassatie 650 EUR. De rolrechten worden opeisbaar op de datum van de veroordeling, de verliezende partij dient deze te dragen. Wie door de rechter werd veroordeeld tot betaling van rolrechten ontvangt na verloop van tijd een uitnodiging tot betaling van de FOD Financiën.
In geval van doorhaling van de zaak op de rol is het rolrecht vanaf de datum van doorhaling opeisbaar ten laste van de partij die inschrijving van de zaak op de rol heeft gevraagd. Voor de overige gerechtskosten is er in geval van doorhaling geen wettelijke bepaling die het lot ervan regelt.
3. RECHTSPLE GINGSVERGOEDING (RPV) – RECUPERATIE ADVOCATENKOSTEN
In België kan men advocatenkosten niet (integraal) recupereren. Men heeft slechts recht op een rechtsplegingsvergoeding. De RPV is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
Het bedrag van de RPV wordt bepaald in functie van de waarde van de vordering: hoe groter de waarde van de vordering, hoe hoger de RPV. Voor een vordering die niet in geld waardeerbaar is, wordt een vast bedrag voorzien.
De rechter kan wel in bepaalde gevallen op verzoek van een van de partijen de RPV verminderen of vermeerderen. Er zijn vier criteria waar de rechter rekening mee kan houden:
- • de complexiteit van de zaak;
- • de financiële draagkracht van de verliezende partij;
- • contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
- • het kennelijk onredelijk karakter van de situatie
om de RPV te verminderen of vermeerderen, op voorwaarde dat één van de procespartijen dit verzoekt, en voor zover de RPV binnen de grenzen blijft van de maximum- en minimumbedragen die wettelijk zijn voorzien. Op de tweede pagina vindt u een overzichtstabel van de wettelijke forfaitaire bedragen van de RPV voor burgerlijke zaken (tabel wordt periodiek geïndexeerd).
De rechter kan echter geen RPV opleggen die lager is dan het wettelijk voorziene minimumbedrag of hoger dan het maximumbedrag.
De wettelijke voorziene forfaitaire bedragen van de RPV zijn vastgelegd bij Koninklijk Besluit. De basis-, minimum- en maximumbedragen zijn onderworpen aan indexering telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt. Momenteel is er onduidelijkheid of de bedragen van de RPV sinds 1 maart 2023 met 10% gedaald zijn. Daarom blijven de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding die gelden sinds 1 november 2022 voorlopig van kracht. Het overzicht vindt u hieronder:
De gemaakte advocatenkosten boven deze forfaitaire bedragen zijn niet verhaalbaar op de tegenpartij.
4. REGISTRATIERECHTEN
Registratierechten zijn te kwalificeren als belastingen en zijn bedoeld als algemene vergoeding voor diensten die het gerecht levert. Enkel bij veroordelingen tot betaling van een bedrag boven 12.500 EUR is een registratierecht van 3% verschuldigd door de verliezende partij op het bedrag waartoe zij veroordeeld werd.
De fiscus zal deze registratierechten innen. Deze zal na de uitspraak een betalingsbericht zenden, waarin vermeld wordt dat de registratierechten binnen een maand betaald moeten worden.
Volgende veroordelingen zijn vrijgesteld van registratierechten: beschikkingen in kort geding; vonnissen en arresten voor zover zij strafboeten, burgerlijke boeten of tuchtboeten uitspreken; vonnissen en arresten voor zover zij een veroordeling inhouden tot betaling van een uitkering tot onderhoud.
Als de rechter geen veroordeling tot betaling uitspreekt, zullen er ook geen registratierechten verschuldigd zijn. Bijgevolg kunnen een akkoordvonnis of doorhaling van de zaak op de rol (bijvoorbeeld na het sluiten van een dading) niet leiden tot het verschuldigd zijn van registratierechten. In die gevallen legt de rechter immers geen betalingsverplichting op
5 . BETEKENING VAN HETVONNIS OF ARREST
De uitgifte van het vonnis is noodzakelijk wanneer men wil overgaan tot gedwongen uitvoering van een vonnis/arrest. Eén uitvoerbare uitgifte van een vonnis/arrest per partij is vrijgesteld van uitgifterecht waardoor geen kost gemaakt dient te worden.
6 . BETEKENING VAN HETVONNIS OF ARREST
Een betekening van een vonnis of arrest door de gerechtsdeurwaarder is de officiële kennisgeving op verzoek van één van de partijen. Door de betekening van een vonnis begint de termijn te lopen voor het aanwenden van rechtsmiddelen zoals verzet, hoger beroep en cassatie en hierdoor kan de beslissing uitgevoerd worden. Deze betekening gebeurt aan wettelijke tarieven en zal meestal tussen de 200 EUR en de 500 EUR bedragen. De gerechtsdeurwaarder zal daartoe een “uitgifte” moeten bestellen bij de griffie zonder bijkomende kost in geval van een eerste uitvoerbare uitgifte van vonnissen en arresten.
7. KOSTEN IN CASSATIE
Cassatieberoep is enkel mogelijk tegen eindbeslissingen die in laatste aanleg gewezen zijn en op grond van een schending van de wet. Alvorens een procedure bij het Hof van Cassatie te starten, zal advies worden ingewonnen van een advocaat bij het Hof van Cassatie die zal nagaan of cassatieberoep zinvol kan zijn.
De kostprijs van een cassatieprocedure hangt af van het ereloon van de cassatieadvocaat en de complexiteit van de zaak. Anders dan in ‘gewone’ zaken, kan de in het gelijk gestelde partij geen rechtsplegingsvergoeding vorderen om deze kosten (forfaitair) te recupereren. Het Hof van Cassatie zal de verliezende partij in de regel wel veroordelen in de procedurekosten.
De voornaamste kosten zijn:
- • De kosten van betekening van het verzoekschrift tot voorziening in cassatie aan de tegenpartij, dewelke rond de 275 EUR per partij bedragen.
- • De rolrechten.
De deurwaarder zal zijn factuur voor de kosten van betekening richten aan de eiser in cassatie die deze kosten in voorkomend geval zal kunnen verhalen op de tegenpartij.
Wie door de rechter werd veroordeeld tot betaling van rolrechten ontvangt na verloop van tijd een uitnodiging tot betaling van de FOD Financiën.
8 . KOSTEN VAN HET GERECHTELIJK DESKUNDIGEN ONDERZOEK
De meest gerede partij moet de kosten van de gerechtsdeskundige provisioneren. Meestal zal dit de partij zijn die het deskundigenonderzoek vordert. Wanneer de deskundige door de rechtbank wordt aangesteld, moet een voorschot geconsigneerd worden bij de griffie. Wanneer de deskundige zijn onderzoek afsluit, bepaalt hij de volledige kost ervan. Indien het voorschot niet volstaat, zal dit nog betaald moeten worden door dezelfde partij die het voorschot consigneerde. De rechter oordeelt evenwel in zijn eindvonnis dat de kosten van het gerechtelijk deskundigenonderzoek ten laste worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij. De partij die het deskundigenonderzoek geprovisioneerd had, zal op basis van het vonnis de kosten kunnen verhalen op de in het ongelijk gestelde partij.
In tegenstelling tot kosten van het gerechtelijk deskundigenonderzoek zijn kosten van een eigen technisch raadsman niet als gerechtskosten te aanzien.
De kosten van deze technische bijstand, zijn in voorkomend geval toch integraal voor vergoeding vatbaar, in de mate dat deze noodzakelijk werden geacht voor de begroting van de schade. Dit zal het voorwerp van debat zijn tussen de partijen.
9. EXCEPTIE VAN BORGSTELLING VAN DE ESIENDE VREEMDELING
Merk ook nog op dat er recente ontwikkelingen zijn inzake de ‘borgstelling van de eisende vreemdeling’.
Wanneer u door een buitenlandse partij wordt gedagvaard voor de Belgische rechter, dan brengt dat risico’s met zich mee. Als de rechter de vordering afwijst, dan zal de buitenlandse eiser in de kosten worden verwezen, maar het zal voor u niet evident zijn om deze kosten daadwerkelijk te innen.
U kan daarom de rechter vragen om aan de eisende ‘vreemdeling’ een borgstelling op te leggen, strekkende tot zekerheid van betaling van de mogelijks uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen. De borgstelling kan niet worden geëist wanneer de eiser de nationaliteit van een andere EU-lidstaat heeft, omdat die strijdig is met het EU-recht. Daarnaast is borgstelling uitgesloten wanneer de eisende vreemdeling door een internationaal verdrag vrijgesteld is. De Haagse Conventie van 1 maart 1954 voorziet zo’n vrijstelling voor alle eisende vreemdelingen die hun domicilie hebben in een van de verdragsluitende staten.
Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat de exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling het gelijkheidsbeginsel schendt. Dit omdat het een onverantwoord verschil in behandeling voorziet tussen verweerders naargelang de eiser een vreemde nationaliteit heeft of de eiser de Belgische nationaliteit heeft maar in het buitenland is gevestigd zonder vermogen in België, terwijl in geen van beide gevallen de verweerder de waarborg heeft dat de eiser de kosten zal kunnen betalen. Hierna was er een tijd onduidelijkheid over de toepassing van deze regel.
Het Hof van Cassatie geeft uitsluitsel en oordeelt dat de bedoelde exceptie kan worden opgeworpen tegen elke eiser (ongeacht zijn nationaliteit) die in het buitenland woont of verblijft en in België over onvoldoende vermogen beschikt om in te staan voor de financiële gevolgen van een eventuele veroordeling.
