In een franchiseovereenkomst worden vaak bepalingen opgenomen die de concurrentie van franchisenemers beperken. Denk hierbij aan een exclusieve afnameverplichting, de toewijzing van een exclusief gebied, een locatieclausule of een non-concurrentiebeding. Vaak zijn dit soort bepalingen noodzakelijk ter bescherming of bevordering van het succes van de franchiseformule en vrijgesteld van het kartelverbod (zie ook deze blog en deze blog). Soms gaan franchisegevers en franchisenemers te ver waardoor zij het risico lopen op een (hoge) boete van de mededingingsautoriteiten.

Een voorbeeld is de boete van € 12,8 miljoen die de ACM aan vier textielwasserijen heeft opgelegd. In deze zaak concludeerde ACM dat hun samenwerking in het kader van een franchiseformule een inbreuk maakte op het kartelverbod. De franchisenemers waren niet alleen aandeelhouder van de franchiseformule maar hadden tevens invloed op de toelating van nieuwe deelnemers en de toewijzing van rayons. Ook hadden de franchisenemers onderling contact over de naleving van de rayonverdeling. De wasserijbedrijven zijn tegen deze boete in beroep gegaan.

Eén van de beroepsgronden was dat de samenwerking had moeten worden beoordeeld in de context van de Groepsvrijstelling Verticale Overeenkomsten waardoor de samenwerking in aanmerking zou komen voor een vrijstelling van het kartelverbod. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft het hoger beroep van de wasserijen onlangs afgewezen. Het CBb is van oordeel dat de samenwerking in overwegend mate een horizontaal karakter had (en dus een samenwerking tussen concurrenten betrof). Hierbij nam het CBb niet alleen in aanmerking dat de franchisenemers (enig) aandeelhouder van de franchiseformule waren maar ook nauw betrokken waren bij het franchisebeleid en elkaar aanspraken op de naleving van hun verplichtingen. De rechtbank Rotterdam was eerder ook al tot het oordeel gekomen dat de Groepsvrijstelling Verticale Overeenkomsten in deze zaak niet van toepassing was.

Deze uitspraak maakt duidelijk dat franchisegevers en franchisenemers vooral moeten oppassen met afspraken tussen franchisenemers over prijzen, klanten en werkgebieden. In dat geval zal al snel sprake zijn van verboden kartelvorming in plaats van een legitieme samenwerking.