In deze aantekening bespreekt Astrid Helstone de uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 29 mei 2019.

In deze uitspraak ging het over de vraag of de Wet Bpf 2000 en de verplichtstelling van deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Vlees, Vleeswaren, Gemaksvoeding en Pluimveevlees (VLEP) van toepassing zijn op werknemers die, op basis van een arbeidsovereenkomst met een in Duitsland gevestigde onderneming waarop Duits arbeidsrecht van toepassing is, worden tewerkgesteld bij in Nederland gevestigde vleesverwerkende bedrijven. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Zij let hierbij op het doel en de strekking van de Wet Bpf 2000, de parallel met de Wet AVV en het feit dat de verplichtstelling een publiekrechtelijke daad betreft.

Het staat volgens Astrid Helstone vast dat, indien de huidige rechterlijke lijn wordt gevolgd, dit verstrekkende gevolgen heeft. Dit zou betekenen dat de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds in alle gevallen op in Nederland tewerkgestelde werknemers moet worden toegepast (ervan uitgaande dat de werkingssfeer van de verplichtstelling van toepassing is), ongeacht welk recht van toepassing is op hun arbeidsovereenkomsten.

Wat tot nu toe ontbreekt in de rechtspraak is een inhoudelijke beoordeling van deze vraag in het licht van de specifieke betekenis van artikel 9 Rome I. In dat kader wijst Astrid Helstone nog op het volgende. Het HvJ EU neemt als uitgangspunt dat artikel 9 Rome I strikt moet worden uitgelegd; de rechter mag slechts bij uitzondering rekening houden met regels van bijzonder dwingend recht. Terughoudendheid door de nationale rechter is dan ook geboden bij het aanmerken van regels als bijzonder dwingend recht. De betekenis van artikel 9 Rome I voor de Wet Bpf 2000 en hierop gebaseerde verplichtstellingsbesluiten is een vraag die dus (mede) moet worden beantwoord aan de hand van het Europees recht.

Click here for PJ 2019/101 (Court of Appeal The Hague May 29, 2019, ECLI: NL: RBDHA: 2019: 5563)