Afgelopen vrijdag 21 maart heeft de Hoge Raad in de zaak Coface Finanz/Intergamma feitelijk een einde gemaakt aan het goederenrechtelijk effect van contractuele cessie- en verpandingsverboden. Mede op basis van een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2003 (Oryx/Van Eesteren) werd algemeen aangenomen dat een beding in een overeenkomst (of in de algemene voorwaarden) dat cessie of overdracht van een vordering verbood op grond van artikel 3:83 lid 2 BW, ook daadwerkelijk overdracht en zelfs verpanding – maar niet derdenbeslag! – tegenhoudt. Niet alleen mocht de schuldeiser die vordering verbintenisrechtelijk niet overdragen of verpanden – zodat hij wanprestatie pleegde en zo nodig schadeplichtig was – maar hij kon dit eenvoudigweg ook niet met goederenrechtelijk effect bewerkstelligen. Sinds 21 maart 2014 is dit echter meestal anders.

Hoewel de Hoge Raad in zijn uitspraak uitdrukkelijk aangeeft de regel van Oryx/Van Eesteren niet te willen heroverwegen, komt de uitlegregel die hij vervolgens geeft daar in de meeste gevallen wel op neer. Dit bereikt de Hoge Raad door in r.o. 3.4.2 te oordelen dat:

"Een beding als het onderhavige, dat naar zijn aard mede is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen, en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen, dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltexmaatstaf (zie HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de - naar objectieve maatstaven uit te leggen - formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd. Het hof heeft dit miskend."

Hiermee suggereert de Hoge Raad dat partijen in de meeste gevallen met het opnemen van een cessie- of verpandingsverbod geen goederenrechtelijk effect zullen hebben beoogd, in ieder geval niet als ze daarover niets hebben afgesproken.

Wat betekent deze uitspraak van de Hoge Raad nu voor de praktijk, in het bijzonder voor schuldenaren en schuldeisers bij het opstellen van dergelijke bedingen in   hun contracten en algemene voorwaarden?

Als een schuldenaar niet wil dat de schuldeiser zijn positie vrijelijk overdraagt aan een derde, zal hij dit voortaan met zoveel woorden moeten bepalen als hij zijn schuldeiser daarin ook met goederenrechtelijk effect wil beperken. Hij kan hiervoor bijvoorbeeld de volgende bewoordingen gebruiken: "Zonder voorafgaande (schriftelijke) toestemming van [schuldenaar] zal [schuldeiser] zijn vordering op [schuldenaar] niet met goederenrechtelijk effect kunnen overdragen (of verpanden)."

Een schuldeiser die juist de vrijheid wil hebben om zijn vordering over te dragen of te verpanden, hoeft in beginsel niets te doen. Dit is alleen anders als uit de omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat partijen ook goederenrechtelijk effect hebben beoogd. Dit moet dan gebeuren door de formulering van dat verbod naar objectieve maatstaven uit te leggen. Wil de schuldeiser volledige zekerheid hebben dat een cessieverbod geen goederenrechtelijk effect heeft, dan doet hij er goed aan om met zoveel woorden te bepalen dat de reikwijdte van dat verbod slechts verbintenisrechtelijk is.