Een Belgische rechter vroeg bij prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie of de Belgische wet van 23 mei 2013 die een verbod in het leven roept om reclame te verspreiden voor ingrepen van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde, wel verenigbaar was met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (hierna de “Richtlijn”)[1].

Bij arrest van 26 oktober 2017 bevestigde het Hof dat dergelijk reclame een handelspraktijk in de zin van de Richtlijn vormt. Het Hof oordeelde echter verder dat de Richtlijn zich niet verzet tegen zulk verbod, omdat de Richtlijn voorziet dat zij geen afbreuk doet aan nationale regels inzake gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten of specifieke voorschriften voor gereglementeerde beroepen.

In een eerder nieuwsbericht werd echter melding gemaakt van het arrest van het Hof van 4 mei 2017[2] waarbij hetzelfde Hof van Justitie weliswaar oordeelde dat het (eveneens) Belgisch reclameverbod voor tand- en mondverzorging ook niet in strijd was met de Richtlijn, maar tegelijk wel oordeelde dat het verbod strijdig was met de richtlijn inzake elektronische handel[3] en met de vrijheid van dienstverrichting[4].

Het is dan ook merkwaardig dat, in het licht van het bovenvermeld arrest betreffende het reclameverbod voor tand- en mondverzorging, het Hof (met nochtans dezelfde kamer) in de nieuwe zaak zijn onderzoek naar de verenigbaarheid niet uitbreidde tot de richtlijn inzake elektronische handel en de vrijheid van dienstverrichting. Het Hof kan immers andere Europeesrechtelijke bepalingen in aanmerking nemen om nuttige uitleggingsgegevens te verschaffen, zelfs indien de verwijzende rechter hier in zijn prejudiciële vraag niet naar verwijst.