Het Hof Arnhem – Leeuwarden (Hof) heeft op 12 september 2017 een belangrijk arrest gewezen in de strijd van netbeheerders tegen het opzeggen van duurovereenkomsten voor de ligrechten van hun infrastructuur in gemeentegrond. De zaak betreft een geschil tussen netbeheerder Liander (Liander) en de gemeente Voorst (gemeente). Loyens & Loeff stond Liander bij in deze procedure.

De gemeente had de overeenkomsten tussen haar en Liander voor het hebben van kabels en leidingen in gemeentegrond opgezegd. De reden daarvan was enerzijds dat zij een verordening wilde invoeren op grond waarvan de ligrechten voor infrastructuur van netbeheerders voortaan publiekrechtelijk door middel van een vergunning zouden worden gegeven (en waarmee de civielrechtelijke afspraak zou vervallen dat de gemeente de kosten betaalt van een verlegging die zij instigeert). Anderzijds wilde de gemeente precario heffen over de netten van Liander. Precariobelasting kan op grond van artikel 228 Gemeentewet alleen worden geheven wanneer de gemeente het hebben van de infrastructuur in haar grond gedoogt. Als de gemeente contractueel verplicht is de infrastructuur in haar grond te gedogen, dan kan zij geen precario heffen.

Liander heeft zich tegen de opzegging verzet en heeft daartegen (onder meer) aangevoerd dat de overeenkomsten niet konden worden opgezegd, althans niet zonder een zwaarwegende reden. De rechtbank heeft Liander in het ongelijk gesteld. Het Hof heeft het betoog van Liander echter gevolgd en heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomsten en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging in dit geval slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Zo een reden bestaat in dit geval niet en daarom kon de gemeente de overeenkomsten niet opzeggen, zo oordeelde het Hof.

Nadat het arrest Stedin / Ronde Venen in 2012 werd gewezen, heeft zich in praktijk een trend afgetekend waarbij gemeenten overeenkomsten met netbeheerders voor het hebben van kabels en leidingen in hun grond opzeggen. De achterliggende reden daarvoor is (net als bij de gemeente) veelal de wens om precario te heffen en om de afspraken over kosten van verlegging te beëindigen. Dit arrest roept deze praktijk in zoverre een halt toe, dat gemeenten bestaande overeenkomsten met netbeheerders niet zomaar kunnen opzeggen om zo de weg vrij te maken voor (bijvoorbeeld) het heffen van precario. Het arrest is om die reden een belangrijke streep in het zand en is voor de dagelijkse praktijk van netbeheerders van groot belang.

De motivering van het Hof wordt hieronder volledigheidshalve nader uiteengezet.

Motivering arrest

Het Hof heeft in dit arrest de heersende principes ten aanzien van het opzeggen van duurovereenkomsten opgesomd. Uit Latour / De Bruijn volgt dat een overeenkomst kan worden opgezegd indien de wet en de overeenkomst niet voorzien in een regeling voor opzegging. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is, indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. In Stedin / Ronde Venen is overwogen dat uit dezelfde eisen, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, kan voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Uit Gooisch Natuurreservaat / Amsterdam volgt, dat het voorgaande niet wegneemt dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op, kort gezegd, de art. 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW. De stelplicht en bewijslast ter zake rusten op degene die betoogt dat een dergelijke overeenkomst niet opzegbaar is.

Uit de aard van de overeenkomsten blijkt dat deze zijn aangegaan met het oog op een langdurige samenwerking tussen partijen ten gunste van de energievoorziening. Liander heeft de wettelijke taak om haar netten veilig, doelmatig en betrouwbaar te beheren. Liander heeft uit de overeenkomsten mogen afleiden dat zij geen vergoeding aan de gemeente verschuldigd zou zijn of zou worden voor de duur dat haar infrastructuur in gemeentegrond zou liggen. Dat is ook in lijn met de maatschappelijke opvattingen zoals deze blijken uit de per 1 juli 2017 in werking getreden wet om de heffingsbevoegdheid van precariobelasting voor openbare werken van algemeen nut te beperken. Het risico bestaat dat de afnemers in het verzorgingsgebied van Liander (mede) de gevolgen van de opzegging zullen dragen, omdat Liander de kosten van precario op grond van de wettelijke gereguleerde tariefstructuur doorberekent aan haar afnemers. Dat is in strijd met het door de wetgever onderschreven belang bij minimalisatie van maatschappelijke kosten van de energievoorziening.

Gelet op het voorgaande concludeert het Hof dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomsten en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. De reden voor opzegging is er niet in gelegen dat de gemeente de nutsvoorziening niet langer in haar grond wenst te hebben, maar bestaat (naast de zogenaamde ‘gewijzigde verhoudingen’) uit de ‘wens’ om alle netbeheerders uniform publiekrechtelijk te normeren en de mogelijkheid om precariobelasting te heffen. Het hof overweegt dat, anders dan de gemeente aanneemt, een contractuele gedoogplicht (zoals opgenomen in de overeenkomsten die tussen Liander en de gemeente zijn gesloten) in de weg staat aan het heffen van precario. Het Hof acht de redenen voor opzegging door de gemeente tegen de achtergrond van de belangen van Liander onvoldoende zwaarwegend om de opzegging te dragen. Het belang om inkomsten uit belasting te genereren kan de opzeggingen niet rechtvaardigen, te minder nu deze ook voor rekening van andere burgers zullen komen dan alleen de ingezetenen van de gemeente. De ‘gewijzigde verhoudingen’ en de wens om alle netbeheerders publiekrechtelijk uniform te normeren leveren tegen die achtergrond onvoldoende gewicht om de opzegging te rechtvaardigen.

Conclusie

Nu het Hof heeft geoordeeld dat de overeenkomsten niet zonder zwaarwegende grond konden worden opgezegd en zo een grond ontbreekt, zijn de overeenkomsten onverkort van kracht. Dat betekent dat er geen grondslag is voor precariobelasting en dat eventueel betaalde precario onverschuldigd is betaald.

Uit dit arrest blijkt dat het voor netbeheerders wel degelijk kan lonen om zich tegen de opzegging van dergelijke overeenkomsten te verzetten.