Het CBb heeft op 15 april 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:BZ6922) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verhouding tussen de Cabotage- en PSO-verordening en de wijze waarop deze verordeningen zich verhouden tot de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000).

De kern van het geschil heeft betrekking op de vraag of de concessies voor het exploiteren van een tweetal Waddenveren onderhands gegund mochten worden of dat hiervoor een openbare aanbesteding had moeten plaatsvinden.

Voor de vraag of een openbare aanbesteding had moeten plaatsvinden, is onder meer de vraag van belang of de Waddenzee kan worden aangemerkt als “binnenwater” of als “zee”. De Cabotageverordening (Verordening (EEG) nr. 3577/92 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer)) heeft namelijk uitsluitend betrekking op zeevervoer. Als sprake is van zeevervoer dan hadden de concessies op grond van de Cabotageverordening moeten worden aanbesteed, omdat de Cabotageverordening een non-discriminatiebeginsel bevat.

Een andere prejudiciële vraag van het CBb heeft betrekking op de uitleg van artikel 1, tweede lid, van de PSO-verordening (Verordening (EG) nr. 1370/2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg). Dit artikel bepaalt namelijk dat lidstaten “de bepalingen van de PSO-verordening kunnen toepassen op het openbaar personenvervoer over de binnenwateren en in de nationale zeewateren, onverminderd de Cabotageverordening”.
Het CBb vraagt zich af hoe het woord ‘onverminderd’ moet worden gelezen. Het is onduidelijk of uit dit woord moet worden afgeleid dat de Cabotageverordening altijd boven de PSO-verordening prevaleert.
Ook is onduidelijk of de woorden ‘de bepalingen van de PSO-verordening’ het mogelijk maken dat een lidstaat – zoals Nederland – uitsluitend één of meer specifieke onderdelen van de PSO-verordening van toepassing verklaren. Het CBb wijst hierbij ook op de verschillende taalversies van de PSO-verordening.

De gestelde prejudiciële vragen zijn niet alleen interessant voor het vervoersrecht, maar ook voor het algemeen bestuursrecht, omdat ze ingaan op de problematiek die kan ontstaan als meerdere Europese verordeningen betrekking (lijken te) hebben op hetzelfde onderwerp en discussie over de verhouding tussen de verordeningen kan ontstaan door het ontbreken van duidelijke definitie- en reikwijdtebepalingen en verschillende taalversies.

In deze annotatie, die is gepubliceerd in AB 2013/272, zal eerst kort ingegaan worden op deze voorgeschiedenis en de feiten in deze procedure. Vervolgens komt het (proces)belang van de appellanten aan de orde. Daarna wordt ingegaan op de kern van de uitspraak: de verhouding tussen de Cabotage- en PSO-verordening en de Wp2000.

Beantwoording van het Hof van Justitie zal nog wel even op zich laten wachten. Inmiddels heeft de staatssecretaris van infrastructuur en milieu aan de Tweede Kamer bericht dat het CBb is gevraagd om een verzoek in te dienen bij het Hof voor versnelde behandeling van de zaak (Aanhangsel van de Handelingen II, 2012/13, 2556, p. 2). De procedure heeft bij het Hof van Justitie zaaknummer C-207/13 gekregen. Wordt vervolgd…