Feiten

Na Advocaat-Generaal Kokott heeft nu ook het Hof van Justitie van de Europese Unie zich negatief uitgelaten over de Arco-waarborgregeling. De Europese regels inzake staatssteun beletten de Arco-coöperanten om van de bescherming voor spaardeposito’s te genieten.

Het faillissement van Dexia in 2011 trof ook de aandeelhouders, waarvan Arco één van de belangrijkste was. Arco was een coöperatieve vennootschap actief in de financiële sector met voornamelijk participaties in Dexia. De regering had een waarborgregeling uitgewerkt waardoor de coöperanten van erkende financiële coöperaties – de facto enkel Arco – van een gelijkaardige waarborg als die voor de spaardeposito’s konden genieten, waardoor elke belegger voor €100.000 gedekt was.

Ontevreden aandeelhouders van Dexia – die niet van de Arco-regeling konden genieten – hadden tegen die regeling een annulatieberoep ingesteld. Dit arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie vormt een antwoord op een prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof, die op haar beurt de hete aardappel kreeg doorgeschoven van de Raad van State.

Het arrest

Een dergelijke regeling maakt verboden staatssteun uit in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Een maatregel vormt staatssteun indien deze door de staat wordt beslist of met staatsmiddelen is bekostigd (wat overigens niet betwist wordt). Vervolgens dient de maatregel de begunstigde ervan een voordeel verschaffen. Ten slotte moet de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen.

Onderzoek van die voorwaarden bracht het Hof tot de conclusie dat er weldegelijk sprake is van staatssteun. Arco bevond zich in een feitelijke en juridische situatie bevond die vergelijkbaar is met die van andere marktdeelnemers die het publiek de mogelijkheid bieden om door aankoop van aandelen een participatie te verwerven en het publiek daarmee een soort kapitaalbelegging ter beschikking stellen (en waarvoor in beginsel geen depositogarantie geldt). Dat enkel financiële coöperatieven van de garantieregeling konden genieten levert een selectief voordeel op. Met andere woorden, stelt het Hof de coöperanten – indirecte aandeelhouders van Dexia – gelijk met de directe aandeelhouders en dienen de vennootschappen actief in de financiële sector dezelfde waarborgen – of net het gebrek daaraan – kunnen aanbieden.

Arco had nochtans tevergeefs laten gelden dat dergelijke financiële coöperatieven eigenlijk uit kleine spaarders bestonden en zich van andere vennootschappen actief in de financiële sector onderscheiden. Arco zou zich in die zin in een specifieke situatie bevinden waardoor de uitbreiding van de garantieregeling voor spaardeposito’s tot dergelijke coöperaties dus geen selectief voordeel zou uitmaken. Het Hof volgde die redenering niet en stelde vast dat Arco door middel de betrokken maatregel een garantie kon bieden die andere marktdeelnemers die het publiek de mogelijkheid bieden om door aankoop van aandelen een participatie te verwerven, niet konden aanbieden.

Het voordeel die een dergelijke garantieregeling aan Arco heeft opgeleverd bestond in de bescherming tegen de dreigende uittocht van particuliere beleggers. Arco kon haar marktaandeel langer behouden en werd in mindere mate of pas later geplaagd door een uitstroom van kapitaal – kapitaal dat anders beschikbaar was geweest om te investeren, niet beschikbaar kwam voor andere spelers. De mededing werd dan ook vervalst.

Besluit

De “Arco-waarborg” vormt dus verboden staatssteun. Het Grondwettelijk Hof is gebonden door dit arrest van het Hof van Justitie en zal nu op die basis een arrest moeten vellen. De saga stopt hier dus niet, maar het is wel al duidelijk de Arco-coöperanten hun centen niet op basis van de oorspronkelijke regeling zullen terugzien. De Belgische overheid werkt aan een “plan B”, maar de mogelijkheden lijken alsmaar beperkter.

We verduidelijken ten slotte nog dat de prejudiciële vragen die aan het Hof werden gesteld enerzijds de kwestie betroffen of de “Arco-waarborg” door de lidstaten moest aangenomen te worden op basis van een Europese richtlijn. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Het tweede luik van het arrest, die het voorwerp van deze bijdragen uitmaakt betreft de staatssteun-kwestie. Met de prejudiciële vragen die desbetreffend werden gesteld wenst de verwijzende rechter te vernemen of een eerdere beslissing van de Europese Commissie die de “Arco-maatregel” als staatsteun aanmerkt geldig is. Het Hof bevestigt de geldigheid ervan en besluit op die manier tot de onverenigbaarheid van de maatregel met Europese regels inzake staatssteun.