Van oudsher worden artikelen 25 en 150 van de Grondwet beschouwd als één van de steunpilaren van de persvrijheid. Zo bepaalt artikel 25 dat de drukpers vrij is en censuur nooit kan worden ingevoerd en is het Hof van Assisen, behoudens wat drukpersmisdrijven betreft die door racisme of xenofobie zijn ingegeven, op grond van artikel 150 van de Grondwet bevoegd om drukpersmisdrijven te vervolgen.

Hoewel de Grondwetgever destijds niet voorzag in een definitie van het “drukpersmisdrijf”, vulden de rechtspraak en rechtsleer dit begrip verder in. Er dienen met name vier cumulatieve voorwaarden te worden vervuld opdat van een drukpersmisdrijf kan worden gesproken: het moet gaan om (i) een mening of een opinie, (ii) die bij wet strafbaar is gesteld en die (iii) openbaar wordt gemaakt (iv) door middel van een drukpers.

Traditioneel wordt het drukpersmisdrijf restrictief geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie. In verschillende arresten oordeelde het Hof namelijk dat gebruik moet worden gemaakt van “gedrukte geschriften” opdat er sprake kan zijn van dergelijk misdrijf. Volgens het Hof vallen uitingen via radio en televisie hier bijgevolg niet onder. Ondanks deze enge interpretatie van het Hof, wordt er in België eveneens een evolutieve interpretatie verdedigd waarbij het “drukpersmisdrijf” alsnog betrekking zou hebben op alle communicatiemiddelen, hetgeen dus ruimer is dan het loutere gebruik van een drukpers.

Hoewel de Belgische rechtspraak reeds jaren uitgaat van dergelijke evolutieve interpretatie, en de restrictieve interpretatie van het Hof van Cassatie niet altijd volgt, had het Hof met betrekking tot het drukpersmisdrijf in een digitale context zich tot voor kort nog niet uitgesproken. Tegen alle verwachtingen in oordeelde zij in twee recente beslissingen van 6 maart 2012 (Nr. P11.0855.N en Nr. P11.1374.N) dat strafbare meningsuitingen in een tekst die digitaal wordt verspreid, kunnen worden gekwalificeerd als een drukpersmisdrijf, en verdedigt zij dus eveneens een evolutieve interpretatie van dit misdrijf. Belangrijk is dat het Hof benadrukte dat de strafbare uitingen geen verband moeten houden met een maatschappelijk belang of een publiek debat, hetgeen impliceert dat alle meningen of opinies op blogs, fora en websites in het vizier komen van artikel 25 juncto 150 van de Grondwet.

Gezien de hedendaagse technologische vooruitgang lijkt een technologie-neutrale interpretatie van de wetgeving inderdaad aan de orde. Er rijzen echter verschillende praktische vragen in verband met de concrete invulling van bovengenoemde rechtspraak.

Nemen we het voorbeeld van een lasterlijke post op Twitter. Behoudens de gevallen waarin dergelijke post zou zijn ingegeven door racisme of xenofobie en de Correctionele Rechtbank in ieder geval bevoegd is om hiervan kennis te nemen, lijkt de kans nihil dat in ander gevallen alsnog een assisenprocedure zou worden opgestart. Andere vraag is wat er dient te gebeuren met filmpjes of afbeeldingen waarin lasterlijke of beledigende opinies worden geuit die worden gepost op het internet. De uitspraak van het Hof lijkt alsnog te suggereren dat dergelijke wilsuitingen niet als drukpersmisdrijf kunnen worden gekwalificeerd, gezien deze niet als “tekst” kunnen worden beschouwd. In deze context rijst echter de vraag of ook de notie “tekst” niet technologie-neutraal dient te worden geïnterpreteerd, en (audio)visuele uitingen hier eveneens onder vallen.

Alleszins kan worden vastgesteld dat het Hof van Cassatie de strafrechtelijke behandeling van strafbare uitingen via het internet feitelijk gedepenaliseerd heeft: daar waar het vroeger mogelijk was om bijvoorbeeld een strafrechtelijke vervolging in te stellen wegens laster en eerroof voor de Correctionele Rechtbank, is dit na deze arresten van het Hof van Cassatie onmogelijk geworden, gezien de Correctionele Rechtbank onbevoegd zal zijn om van dergelijke gevallen kennis te nemen. In de praktijk zullen het dus voornamelijk de burgerlijke rechtbanken zijn die schadevergoedingen kunnen toekennen, weliswaar na toepassing van de buitencontractuele aansprakelijkheidsregels, en niet na toepassing van de strafwet. Aangezien de bewoordingen van het Hof van Cassatie en de notie van het drukpersmisdrijf echter openstaan voor verschillende interpretaties, is het laatste woord hierover nog niet gezegd en staat het alleszins vast dat de toepassing van het drukpersmisdrijf op het internet verdere rechtsonzekerheid teweeg zal brengen.