Op 3 juni 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er een geldig pandrecht kan worden gevestigd op zaken die onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd aan de koper. Indien de koper failliet wordt verklaard, kan het voorwaardelijke eigendomsrecht uitgroeien tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht door vervulling van de voorwaarde jegens de verkoper (veelal volledige betaling van de koopsom). Ook de pandhouder kan deze voorwaarde vervullen. Het gevolg hiervan is dat genoemde zaken niet in de faillissementsboedel vallen, maar dat de pandhouder hier verhaal op kan nemen.

De feiten

Meteor Systems B.V. (Meteor) heeft een teeltsysteem geleverd aan Kwekerij Revadap B.V. (Revadap), waarbij de eigendom van het geleverde pas zou worden overgedragen aan Revadap vanaf het moment dat zij de volledige koopsom aan Meteor zou hebben voldaan. Revadap is vervolgens een financieringsovereenkomst aangegaan met Rabobank, waarbij zij een aantal zekerheidsrechten heeft verstrekt aan Rabobank, waaronder pandrechten op zaken die onder het eigendomsvoorbehoud (opschortende voorwaarde) aan Revadap zijn geleverd.

Revadap is in 2009 failliet verklaard. Rabobank heeft in overleg met de curator de resterende koopsom met rente betaald aan Meteor, waartegenover Meteor finale kwijting heeft verleend en haar eigendomsvoorbehoud heeft prijsgegeven. De curator heeft dit goedgekeurd onder voorbehoud van de aanspraak van de boedel op de overwaarde van het teeltsysteem (dus het verschil tussen het bedrag waarvoor het teeltsysteem wordt mee verkocht en de aan Meteor gedane betaling). Dit is echter niet gebeurd.

De curator heeft gevorderd dat Rabobank wordt veroordeeld tot betaling van de overwaarde van het teeltsysteem, omdat deze in de boedel is gevallen nadat het eigendomsvoorbehoud was vervallen. Daarnaast stelt de curator dat het pandrecht op het teeltsysteem ten onrechte is uitgewonnen door Rabobank.

Hof

Het Hof heeft het vonnis van de rechtbank - waarin Rabobank wordt veroordeeld tot betaling van de overwaarde - bekrachtigd. Het Hof verwerpt het standpunt van Rabobank dat het eigendomsrecht wordt gesplitst in enerzijds een door de vervreemder behouden eigendomsrecht onder de ontbindende voorwaarde en anderzijds een aan de verkrijger toegekende eigendomsrecht onder de opschortende voorwaarde van volledige voldoening van het nog verschuldigde aan de vervreemder. Volgens het Hof voorziet de wet niet in een dergelijke splitsing. Daarnaast kon Revadap volgens het Hof pas het eigendomsrecht van het teeltsysteem verwerven na vervulling van de opschortende voorwaarde. In de visie van het Hof was het teeltsysteem daarom een toekomstige zaak. Alhoewel het Hof erkent dat toekomstige goederen vatbaar zijn voor verpanding, staat in haar visie het feit dat de pandgever nog een opschortende voorwaarde moet vervullen eraan in de weg dat een rechtsgeldig pandrecht wordt gevestigd. De pandgever is na faillissement namelijk niet meer beschikkingsbevoegd. Het bij voorbaat gevestigde pandrecht op het ‘toekomstige’ goed wordt volgens het Hof daarom niet ‘voltooid’. Het Hof oordeelde daarom dat op grond van artikel 35 lid 2 Faillissementswet (Fw) het teeltsysteem samen met het gevestigde pandrecht in de boedel viel, waardoor Rabobank dit niet meer kon inroepen.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft de uitspraken van de rechtbank en het Hof vernietigd.

Rabobank stelde dat zij een rechtsgeldig onvoorwaardelijk pandrecht heeft verkregen op het (onder eigendomsvoorbehoud geleverde) teeltsysteem. De ‘aangroei’ van dit pandrecht tot een pandrecht op de onvoorwaardelijke eigendom vereist geen nadere beschikkings- of vestigingshandelingen van Revadap. Dit betekent volgens Rabobank dat door voldoening van het verschuldigde aan Meteor, Rabobank een pandrecht heeft verkregen op de onvoorwaardelijke eigendom van het teeltsysteem.

De Hoge Raad ging hierin mee en overwoog dat een bij voorbaat gevestigd pandrecht op een voorwaardelijk eigendomsrecht, geen nadere vestigingshandelingen meer vereist. Het pandrecht op voorwaardelijke eigendom, wordt pandrecht op onvoorwaardelijke eigendom door vervulling van de voorwaarde.

De Hoge Raad stelt dat bij een voorwaardelijk eigendomsrecht zowel de vervreemder als de verkrijger voorwaardelijk eigenaar zijn. De vervreemder onder ontbindende voorwaarde en de verkrijger onder opschortende voorwaarde. De promotie van een voorwaardelijk naar een onvoorwaardelijk eigendomsrecht is slechts afhankelijk van de vervulling van de opschortende voorwaarde, namelijk het voldoen van de verschuldigde koopsom. Dit betekent dat zowel de verkoper als de koper een voorwaardelijk eigendomsrecht hebben en ook onder die voorwaarden een zaak kunnen vervreemden of bezwaren.

Omdat er geen nadere leveringshandelingen van Revadap nodig zijn (waarvoor hij beschikkingsbevoegd moet zijn), is artikel 35 lid 1 en 2 Fw niet van toepassing.

Conclusie

Met deze uitspraak is een einde gekomen aan de langdurige discussie over de vraag of artikel 35 Fw in de weg staat aan het vestigen van een pandrecht op een onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak waarbij de opschortende voorwaarde - waaronder de zaak is geleverd - pas na faillissement wordt vervuld.

In het geval dat er een pandrecht rust op een voorwaardelijk eigendomsrecht, heeft de uitspraak tot gevolg dat de curator geen baat meer heeft bij het voldoen van het restant van de koopprijs. Het restant van de koopprijs kan wel worden voldaan door de pandhouder, waarna het pandrecht op het goed kan worden uitgewonnen.

De verwachting is dat banken na dit arrest eerder geneigd zullen zijn om ondernemingen met grote – onder eigendomsvoorbehoud geleverde – voorraden te financieren. Banken en andere financiers kunnen immers rechtsgeldig een pandrecht vestigen op de voorwaardelijke eigendom van deze voorraden. Bovendien kunnen zij deze pandrechten in geval van faillissement relatief eenvoudig uitwinnen.