De Belgische regering en de administratie werken hard om nieuwe wetboeken aan het Wetboek Economisch Recht toe te voegen. Het Wetboek Economisch Recht zal een zeer ruime codificatie zijn van de belangrijkste economische wetten en daarbij mag de wetgeving over intellectuele rechten niet ontbreken. Zo zal de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten vervangen worden door Titel 5 van Boek XI Intellectuele Eigendom. In Boek XI komt ook de wetgeving terecht inzake octrooien, aanvullende beschermingscertificaten, kwekersrecht, computerprogramma’s, databanken en topografieën van halfgeleiderproducten. Het merkenrecht en het tekeningen- en modellenrecht maken geen deel uit van het Wetboek Economisch Recht omdat die rechtsdomeinen geregeld zijn in Beneluxverdragen.

Het Wetboek Economisch Recht houdt in de eerste plaatse een codificatie in van bestaande wetgeving. Bestaande wetten worden hoofdzakelijk gewijzigd wat de vorm en de terminologie betreft, maar de wetgever maakt vaak ook gebruik van de gelegenheid om een aantal inhoudelijke wijzigingen door te voeren. Dat dit niet zonder risico is mag blijken uit de vele reacties die er zijn gekomen over een aantal wijzigingen aan de auteurswet. Vele auteursverenigingen, ondernemingen en belangengroepen gaan niet akkoord met een aantal wijzigingen die de regering zonder een grondig en voorafgaand debat wil invoeren.

Het gaat te ver voor deze bijdrage om alle voorgestelde wijzigingen toe te lichten maar enkele voorbeelden geven de richting aan.

Zo wil de regering het volgrecht aanpassen, d.w.z. het recht dat auteurs van een kunstwerk hebben op een bijzondere vergoeding als hun werken verkocht worden door actoren uit de professionele kunsthandel. De vergoeding wordt bepaald aan de hand van de verkoopprijs van het kunstwerk en varieert van 0,25% tot 4%. Omdat het voor de individuele auteurs moeilijk is om overal in Europa toezicht te houden op de verkoop van hun werken, wil de Belgische wetgever het volgrecht verplicht laten innen door een beheersvennootschap die de opbrengsten vervolgens aan de auteur doorstort (na aftrek van een beheerskost).

Een andere wijziging betreft het vermoeden van overdracht van rechten aan de producent van een audiovisueel werk. De auteurswet voorziet nu dat alle creatieve medewerkers aan een film hun rechten automatisch overdragen aan de producent, zodat die producent niet gehinderd wordt in de exploitatie omdat één medewerker zich ertegen zou verzetten. De huidige wet kent slechts één uitzondering, nl. voor de auteurs van muziekwerken. Hiervoor geldt het vermoeden niet, zodat bij het vertonen van films op televisie of in de filmzalen er een aparte vergoeding moet worden betaald aan de auteurs, via hun beheersvennootschappen. De regering wil nu nog meer uitzonderingen voorzien, nl. voor de hoofdregisseur, de scenarioschrijver en de tekstschrijver. Als het parlement de regering volgt, zullen er bij een publieke vertoning van een film dus nog meer rechten apart moeten worden betaald om ook de hoofdregisseur, de scenarioschrijver en de tekstschrijver te vergoeden. Er wordt gevreesd dat dit het produceren en rendabel maken van films nog moeilijker zal maken.

Ten slotte melden we nog dat de wetgever de controle op de beheersvennootschappen zoals Sabam, SACD of Playright wil versterken omdat deze toch zeer grote bedragen innen en verdelen onder hun leden.