In het contractrecht is het uitgangspunt dat de reikwijdte van de overeenkomst zich beperkt tot partijen bij de overeenkomst. Derden kunnen in het algemeen geen rechten ontlenen aan een contract waarbij zij geen directe partij zijn. Onder omstandigheden moet de partij echter rekening houden met de belangen van derden. In dit kader heeft de Hoge Raad op 14 juni 2017 een interessant arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2017:1355, RvdW 2017/864).

De feiten zijn als volgt. Tussen DMG en Compaen en tussen DMB en Vissers zijn met elkaar samenhangende overeenkomsten over een projectontwikkeling gesloten. In de overeenkomst DMB-Vissers is onder meer bepaald dat als de overeenkomst DMB-Compaen om welke reden dan ook wordt ontbonden, de overeenkomst DMB-Vissers gelijktijdig wordt ontbonden. De overeenkomst DMB-Compaen is met wederzijds goedvinden beëindigd. DMB heeft vervolgens aan Vissers bericht dat de overeenkomst DMB-Compaen is ontbonden en dat daarmee ook de overeenkomst DMB-Vissers is ontbonden. In dit geding stellen Vissers onder meer dat Compaen onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld doordat Compaen niet voldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Het Hof heeft de vorderingen van Vissers geheel afgewezen. Daartoe heeft het Hof onder meer geoordeeld dat de rechtsregel uit het arrest Vleesmeesters/Alog (HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO:9069, NJ 2008/587), t.w. dat onder omstandigheden rekening moet worden gehouden met de belangen van derden, hier niet aan de orde is, omdat er niet van kan worden uitgegaan dat Compaen tekort is geschoten in de nakoming van de tussen haar en DMB gesloten overeenkomst.

Vissers gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waarbij hij partij is en in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden die aan dit verkeer deelnemen in allerlei vormen kunnen worden verbonden, het hem niet onder alle omstandigheden vrij staat de belangen te verwaarlozen van derden die bij de behoorlijke nakoming van het contract zijn betrokken. Indien de belangen van een derde zo nauw met de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst verband houden dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekort schiet, kunnen de normen van de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter alle relevante omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien en in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kan worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling (Hoge Raad 24 september 2004, NJ 2008/587 en Hoge Raad 20 januari 2012, NJ 2012/59).

Het Hof heeft geoordeeld dat voor de vraag of de contractant rekening moet houden met de belangen van derden in casu niet het vermelde beoordelingskader van toepassing is, op de grond dat niet ervan kan worden uitgegaan dat Compaen is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarmee de overeenkomst Visser/rs-DMB nauw samenhing. De Hoge Raad casseert en oordeelt dat in dat beoordelingskader bepalend is of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en is dus niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn.

Conclusie

In dit arrest heeft de Hoge Raad aangegeven dat voor de vraag of de contractant rekening moet houden met de belangen van een derde bij de overeenkomst wanprestatie geen noodzakelijke voorwaarde is voor de aansprakelijkheid jegens de derde.