De regels over houtopstanden uit de Boswet gaan op 1 januari 2017 op in de nieuwe Wet Natuurbescherming (“Wnb“). De Wnb zal hierbij voornamelijk een voortzetting zijn van de bestaande regelgeving. In deze eerste blog wordt de regelgeving over houtopstanden onder de Wnb op hoofdlijnen besproken. In een volgend blog staan de uitzonderingen op de herbeplanting- en meldingsplicht centraal.

Instandhouding bosareaal

Net als onder de Boswet is het doel van de regels met betrekking tot houtopstanden onder de Wnb de instandhouding van het bosareaal. Om deze doelstelling te realiseren blijven de meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod ingeval van houtkap bestaan. De kap dient daarbij wel nog steeds een bepaalde omvang en locatie te hebben. Enkel houtopstanden groter dan 10 hectare of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom worden gereguleerd.

Voorafgaand aan de kap van de houtopstand dient de eigenaar van de grond waarop een dergelijke houtopstand zich bevind melding te doen bij gedeputeerde staten van zijn voornemen tot geheel of gedeeltelijk vellen (artikel 4.2 lid 1 juncto 4.1 Wnb). Een eigenaar moet daarnaast binnen drie jaren na het vellen of het tenietgaan van de houtopstand zorgdragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond, tenzij de kap zag op het periodiek vellen van kweekgoed (artikel 4.3 lid 1 Wnb). De melding vergemakkelijkt de controle op de uitvoering van deze plicht tot herbeplanting en maakt het mogelijk voor gedeputeerde staten om een kapverbod op te leggen (artikel 4.2 lid 3 Wnb). Het kapverbod kan door gedeputeerde staten telkens voor ten hoogste vijf jaar worden opgelegd ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Decentralisatie van bevoegdheden

Ondanks dat de meldplicht, herbeplantplicht en het kapverbod in stand zijn gebleven, is het bevoegd gezag ten aanzien van wie deze verplichtingen en verbod gelden, gewijzigd. In plaats van een melding bij de Minister van Economische Zaken, dient tegenwoordig een melding te worden gedaan bij gedeputeerde staten. Het is daarnaast ook gedeputeerde staten die nadere regels kan stellen in een provinciale verordening over de melding die gedaan moet worden of de wijze waarop de beplanting dient plaats te vinden. Het Besluit herbeplanting komt daarmee te vervallen en de regels die gaan gelden voor houtopstanden worden provincie-afhankelijk. Alleen ingeval sprake is van terreinen waarvan het beheer valt onder de verantwoordelijkheid van het Rijk, met uitzondering van de terreinen van Staatsbosbeheer, zal de Minister van Economische Zaken of een andere betrokken minister bij algemene maatregel van bestuur als bevoegd gezag worden aangewezen (artikel 1.3 lid 5 Wnb). Vanwege de decentralisatie van de beheergelden voor Staatsbosbeheer, worden de bevoegdheden ten aanzien van de terreinen van Staatsbosbeheer ook overgeheveld naar de provincies. Voor het overgrote deel worden de uitvoeringstaken kortom neergelegd bij de provincies. Dit sluit aan bij de adviestaak die de provincies nu al hebben bij de uitvoering van de Boswet (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 192).

Houtopstanden in natuurvisies

De vergroting van de taken van de provincies betekent dat provinciale regels aan belang hebben gewonnen. De Wnb voorziet daarnaast echter ook in de mogelijkheid tot het opstellen van nationale en provinciale natuurvisies, waarin aandacht kan worden besteed aan houtopstanden. In deze visies kunnen immers landschappelijke en/of cultuurhistorische elementen aan bod komen die beschermd dienen te worden. Door ook in de natuurvisies aandacht te vestigen op houtopstanden is er meer ruimte voor bescherming van specifieke bomen die van belang zijn voor het landschap. Verder kunnen provincies bossen een aanvullend beschermingsregime bieden door deze gebieden aan te wijzen als bijzonder provinciaal natuurgebied of bijzonder provinciaal landschap. Gemeentes kunnen door in gesprek te gaan met het Rijk of de provincie bij het opstellen van de natuurvisie en mogelijke aanwijzingen voor zorgen dat de bomen die voor hen belangrijk zijn in het buitengebied, meer bescherming krijgen.

Afronding

Uit de memorie van toelichting op de Wnb blijkt dat het in paragraaf 4.1 van de Wnb neergelegde kader hoofdzakelijk een voortzetting van het bestaande instrumentarium is, gezien het goed functionerende systeem van de Boswet. Om tot een grotere werkbaarheid van de regeling voor de bescherming van houtopstanden in samenhang met de regels voor gebiedsbescherming en de soortenbescherming te komen is echter bezien of voor de houtkap ten behoeve natuurontwikkeling een uitzondering op de meld- en herbeplantingsplicht kan worden voorzien. Deze uitzondering staat in onze volgende blog over houtopstanden centraal.

Dit is een blog in de serie “Nieuwe Wet natuurbescherming”. Een overzicht van alle blogs in deze serie kunt u hier vinden.