CIVIEL

HR stelt prejudiciële vragen over de Peeters/Gatzen-vordering

Een vennootschap die de deurwaarderspraktijk uitoefent, heeft een zichtrekening bij BNP Paribas Fortis N.V. ("Fortis"). De vennootschap heeft tevens een kwaliteitsrekening bij Rabobank. Betrokkene (enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap) boekt de gelden over van de kwaliteitsrekening naar de zichtrekening en neemt deze gelden vervolgens op. Betrokkene is ter zake onder meer veroordeeld door de strafrechter wegens verduistering. De vennootschap en betrokkene zijn failliet verklaard. De faillissementen worden geconsolideerd afgewikkeld. De curator stelt een Peeters/Gatzen-vordering in jegens Fortis tot betaling van de gelden die zijn opgenomen door betrokkene. Zowel de rechtbank als het hof hebben zich bevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen en daartoe overwogen dat de vordering van de curator zijn grondslag uitsluitend vindt in beide faillissementen en daarmee onder het bereik van Verordening (EG) nr. 1346/2000 ("Insolventieverordening") valt. De rechtbank wijst de vordering van de curator toe. In hoger beroep tegen het eindvonnis van de rechtbank stelt het hof tussentijds cassatieberoep open tegen de beslissing over de rechtsmacht. De HR houdt iedere verdere beslissing aan en legt het HvJEU in bovenstaand kader een drietal prejudiciële vragen voor: (i) Is een Peeters/Gatzen-vordering – kort gezegd – een vordering die rechtstreeks voortvloeit uit specifieke regels voor een insolventieprocedure (en daarmee nauw samenhangt) en die daarom buiten het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 44/2001 ("EEX-Verordening") valt? (ii) Indien vraag (i) bevestigend wordt beantwoord, wordt deze vordering dan beheerst door het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend krachtens art. 4 lid 1 van de Insolventieverordening zowel wat betreft de bevoegdheid van de curator tot het instellen van deze vordering als wat betreft het op deze vordering toepasselijke materiële recht? (iii) Indien vraag (ii) bevestigend wordt beantwoord, dient de rechter van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend dan rekening te houden, al dan niet naar analogie, met – kort gezegd – het bepaalde in art. 13 Insolventieverordening en art. 17 van Verordening (EG) nr. 864/2007 (mede in verbinding met art. 13 Insolventieverordening) ("Rome II")?

ECLI:NL:HR:2017:2269

CIVIEL

Cumulatief effect van afdrachtverplichting en forfaitaire boete bij onderverhuur

Een huurster schendt een contractueel verbod op onderverhuur. Daaraan verbindt een beding in haar huurovereenkomst twee rechtsgevolgen: een forfaitaire boete en de verplichting tot afdracht van onderhuurpenningen. Het hof oordeelt dat de afdrachtbepaling geen oneerlijk beding is als bedoeld in Richtlijn 93/13/EEG en veroordeelt huurster tot afdracht. De Hoge Raad vernietigt omdat het hof aldus ten onrechte niet heeft onderzocht of het cumulatieve effect van een forfaitaire boete en de afdrachtverplichting ertoe leidt dat sprake is van een oneerlijk beding als bedoeld in de Richtlijn.

ECLI:NL:HR:2017:2275