De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State deed afgelopen zomer een opvallende uitspraak over het gebruik van bewijs van derden bij het invorderen van verbeurde dwangsommen. De Afdeling kwam in deze uitspraak, in tegenstelling tot in eerdere uitspraken, tot het oordeel dat aan invorderingsbeschikkingen onder omstandigheden bewijs van een derde ten grondslag mag worden gelegd. Tot op heden was de jurisprudentielijn, dat het innen van een dwangsom gestoeld moest worden op een constatering van een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag.

De feiten in de zaak waren als volgt. De Vereniging tot Behoud Erfgoed Leidschendam had het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg verzocht om handhavend op te treden tegen de slechte staat van onderhoud van enkele woningen, waarvan er een aantal waren aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Het college gaf aan deze oproep gehoor omdat de eigenaar van de betreffende woningen, door het nalaten van het plegen van onderhoud, de Monumentenwet 1988 en het Bouwbesluit 2012 had overtreden. Het college legde de eigenaar van de woningen de last op om binnen twintig weken de geconstateerde overtredingen te beëindigen. Wie denkt dat de eigenaar met een likje verf wel aan de last kon voldoen heeft het mis, de last bestond uit het beëindigen van maar liefst veertien overtredingen. Variërend van het repareren van de dakgoot tot het brandwerend maken van dakkapellen.

Nadat de begunstigingstermijn was verstreken, besloot het college over te gaan tot het invorderen van de door de huiseigenaar verbeurde dwangsommen. De huiseigenaar kwam op tegen de invorderingsbeschikking. Hij voerde onder meer aan dat het college ten onrechte tot invordering had besloten, omdat de toezichthouder van de gemeente zich ten onrechte zou hebben gebaseerd op mededelingen van derden. Het college had aan zijn invorderingsbeschikking een constateringsrapport ten grondslag gelegd. Daarin was inderdaad opgenomen dat de bewoners van enkele van de slecht onderhouden woningen hadden verklaard, dat de lasten niet waren uitgevoerd. Tevens hadden omwonenden van enkele leegstaande, slecht onderhouden panden verklaard dat er in de leegstaande woningen geen werkzaamheden hadden plaatsgevonden.

De Afdeling herhaalde eerst de standaardoverweging uit eerdere rechtspraak, dat aan een invorderingsbeschikking een deugdelijke en controleerbare vaststelling van feiten ten grondslag moet liggen. 'Dat de toezichthouder van de gemeente zich mede heeft gebaseerd op verklaringen van derden, maakt in dit geval niet dat geoordeeld moet worden dat aan dat vereiste niet is voldaan', aldus de opmerkelijke uitspraak van de Afdeling. Hoewel de bewoners en omwonenden van de slecht onderhouden panden vast goed konden beoordelen of de eigenaar de gelaste reparaties had uitgevoerd, waren deze derden niet ter zake deskundig. Ook waren zij geen medewerker van het bevoegd gezag.

Een opvallende uitspraak dus, die de deur op een kier zet voor hobby-toezichthouders. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Uitspraak: ECLI:NL:RVS:2016:1594