Voor bestuursgedragingen geldt een hoge aansprakelijkheidsdrempel omdat primair sprake is van handelingen van de vennootschap. Zo wordt voorkomen dat bestuurders hun doen en laten in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Die drempel is behalve hoog ook breed: het betreft aansprakelijkheid jegens zowel de vennootschap als derden, zoals individuele aandeelhouders of crediteuren. De Hoge Raad bevestigt dit en plaatst zijn uitspraak inzake de "Spaanse Villa" (HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881) in context.  

Onlangs heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen over de externe bestuurdersaansprakelijkheid jegens crediteuren. De context is verschillend, de boodschap niet:

 "[…] voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap [gelden] hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21)."

Volmacht  

In de eerste zaak die de Hoge Raad op 5 september besliste was de bestuurder namens vennootschap X als bemiddelaar opgetreden. Hij had in die hoedanigheid in strijd gehandeld met de betaalinstructies van zijn cliënt, die schade leed als gevolg van het feit dat degene die die gelden uiteindelijk ontving geen verhaal bood(ECLI:NL:HR:2014:2628). In zo'n geval, dus indien sprake is van handelen bij de taakvervulling als bestuurder van een vennootschap, moet steeds overeenkomstig de verzwaarde maatstaf worden getoetst, aldus de Hoge Raad. Weliswaar nam de Hoge Raad in dit geval aansprakelijkheid aan (zie hierna), maar daarbij moet aangetekend worden dat de Hoge Raad er "veronderstellenderwijze" vanuit moest gaan dat hier ernstig verwijtbaar was gehandeld; het Hof had dat in het midden gelaten omdat het de vordering op andere gronden had afgewezen.  

Pandrecht  

Ook in dit geval werd de verzwaarde maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid toegepast (ECLI:NL:HR:2014:2627). Centraal stond het verwijt dat een bestuurder ten behoeve van de financier van de vennootschap een pandrecht van lagere rangorde had gevestigd dan overeengekomen. Dit pandrecht strekte onder meer tot terugbetaling van een lening. Ook in dit soort omstandigheden, wil de Hoge Raad dus niet weten van verlaging van de drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid. Enerzijds blijkt daaruit hoezeer aan die hoge drempel wordt gehecht, anderzijds roept dit wel de vraag op waar precies de grens ligt.  

Lessen?  

Uit deze uitspraken valt op te maken dat de Hoge Raad ook in gevallen waarin crediteuren op ogenschijnlijk evidente wijze benadeeld zijn, toch vasthoudt aan de hoge aansprakelijkheidsdrempel.  

De volmacht-zaak is in dit opzicht het meest kras. Daar werd in strijd gehandeld met de specifieke betalingsinstructie én was de aangesproken bestuurder bekend met de achtergrond van die instructie (insolventierisico). Bij afwezigheid van een van beide ingrediënten zou de vordering waarschijnlijk zijn gestrand (overeenkomstig HR 3 juni 2003, NJ 2003, 563).  

De pandrecht-zaak lag anders omdat weliswaar een pandrecht van lagere rangorde dan afgesproken was gevestigd, maar hier - anders dan in de volmacht-zaak - juist niet kon worden aangenomen dat ten tijde van het aangaan van de verpandingsverplichting, voorzienbaar was dat niet voldaan zou worden aan de terugbetalingsverplichting. Omdat de Hoge Raad tegelijk oordeelde dat uit de enkele omstandigheid dat een pandrecht van lagere rang is verstrekt, niet voortvloeit dat er schade is geleden, werd de vordering afgewezen.  

Conclusie  

Bestuurders hoeven niet bang te zijn; in twee recente arresten handhaaft de Hoge Raad de hoge aansprakelijkheidsdrempel. Het is van groot maatschappelijk belang dat ons hoogste rechtscollege vasthoudt aan de bescherming waar ondernemende bestuurders, die te goeder trouw en in het belang van de vennootschap hun taak vervullen, recht op hebben.  

Uiteraard - en terecht - zijn er grenzen. Bestuurshandelen dat op objectief voorzienbare wijze, schuldeisers daadwerkelijk benadeelt, hoeft niet op genade te rekenen, te meer indien geen rechtvaardigingsgrond kan worden gevonden in het belang van de vennootschap. Naarmate de eisen van zorgvuldigheid die de bestuurder in acht heeft te nemen concreter én schade voorzienbaar is, zal aansprakelijkheid sneller worden aangenomen. De bescherming van de hoge aansprakelijkheidsdrempel komt een bestuurder evenmin toe, indien zijn handelen onvoldoende te maken heeft met zijn hoedanigheid van bestuurder. Waar de grenzen precies liggen, zal in de rechtspraak nog worden uitgemaakt. Het is aannemelijk dat bepaalde activiteiten (makelaardij, advocatuur, artsenij) verricht door een rechtspersoon gepaard gaan met zorgplichten die - in geval van schending - voorgaan op de "hoge aansprakelijkheidsdrempel".