Opdrachtgever heeft met aannemer een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de uitbreiding van de woning van opdrachtgever (aanbouw).

Opdrachtgever klaagt over lekkages aan het dak van de uitbreiding van de woning, voor het eerst op 11 december 2012. Tot 19 maart 2013 heeft aannemer herstelwerkzaamheden verricht aan het dak, waarna het werk werd geacht te zijn hersteld. Nadien was gedurende enkele jaren geen sprake van lekkages, zodat opdrachtgever geen reden (meer) had tot klagen. In maart 2015 is weer geklaagd door opdrachtgever over lekkages en middels een brief van 30 april 2015 heeft opdrachtgever aannemer aansprakelijk en in gebreke gesteld. Aannemer wijst aansprakelijkheid van de hand en gaat niet over tot herstel van de gebreken.

Opdrachtgever stelt op 4 april 2016 een rechtsvordering in ter zake de gebreken.

Aannemer stelt zich op het standpunt dat opdrachtgever niet-ontvankelijk is in haar vordering. Aannemer beroept zich daarbij op artikel 7:761 lid 1 BW. Artikel 7:761 lid 1 BW bepaalt – kort gezegd – dat elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaar nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Aannemer stelt dat de rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk is verjaard door verloop van twee jaar nadat opdrachtgever voor het eerst heeft geprotesteerd, te weten op 11 december 2014 (twee jaar na 11 december 2012).

De Raad van Arbitrage heeft echter bepaald (uitspraak nr. 35.765) dat de rechtsvordering ter zake van de (nieuwe) (ofwel herstelde) gebreken in het werk op 4 april 2016 ruim binnen de voor het instellen van een rechtsvordering geldende tweejarige verjaringstermijn is ingesteld, nu dit binnen twee jaar na maart 2015 (eerste moment klagen na herstel gebreken) is gebeurd.

Deze uitspraak van de Raad van Arbitrage toont aan dat na herstel van gebreken sprake kan zijn van hernieuwde verjarings- en vervaltermijnen. Zie ter zake verjaring ook het artikel in de externe nieuwsbrief van juli 2016