Op 10 juli 2014 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan over een beroep van de Europese Commissie tegen de Belgische staat wegens niet correcte omzetting van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

De wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentbescherming (WMPC), die quasi ongewijzigd werd overgenomen als boek VI van het Wetboek Economisch recht (wet 21 december 2013, inwerkingtreding 31 mei 2014) was volgens de commissie op drie punten in strijd met de richtlijn:

  1. De regeling in verband met de aankondiging van prijsverminderingen (artikel 20, 21 en 29, nu artikel VI.18, VI.19 en VI.26 Wetboek Economisch recht.
  2. De onterechte uitsluiting van vrije beroepen, tandartsen en fysiotherapeuten uit het toepassingsgebied.
  3. De regeling op de ambulante handel die in een verbod voorziet om producten van meer dan 250 EUR huis aan huis te verkopen.

1.
Het Hof herhaalt, voor de zoveelste keer na het Inno-arrest, waarin ze dit al stelde met betrekking tot de soldenperiode, dat de richtlijn oneerlijke handelspraktijken een volledige harmonisatie biedt op het vlak van de handelspraktijken. Het komt nationale wetgevers dus niet toe om een nog strengere regeling uit te werken, zelfs als dit de consument extra zou beschermen.

Alleen de praktijken die op zich als oneerlijk worden bevonden en op de zwarte lijst van de richtlijn staan, of die algemeen misleidend of agressief zijn in de zin van de richtlijn, kunnen worden verboden.

De huidige regeling inzake prijsverminderingen laat enkel toe te verwijzen naar de referentieprijs, d.i. de laagste prijs die werd toegepast in de maand vóór de prijsvermindering. De prijsvermindering mag ook niet minder dan een dag of langer dan een maand duren. Onder de huidige wetgeving is het dus onmogelijk om bijvoorbeeld een soort ‘happy hour’ te organiseren, waarbij een product (bijvoorbeeld, een pint) gedurende één uur aan halve prijs wordt verkocht.

Dit is niet per se misleidend of agressief en kan dus niet per se verboden worden volgens het Hof van Justitie. De richtlijn nam dergelijke prijsverminderingen die zouden verwijzen naar een oudere prijs, of naar een andere dan de laagste prijs uit de voorbije maand, niet op in haar zwarte lijst. De wet mag dit dan ook niet per definitie verbieden. Alleen indien een concrete prijsvermindering de consument zou misleiden, zal ze verboden zijn.

Er zal dus geval per geval moeten bekeken worden of handelaars de consument niet proberen te misleiden door eerst de prijs kunstmatig te verhogen om nadien (spectaculaire) prijsverminderingen te kunnen toekennen. 

2.
De discriminatie door de uitsluiting van de vrije beroepen werd ondertussen al opgelost door de invoeging van boek XIV in het Wetboek Economisch Recht dat in min of meer dezelfde bepalingen voorziet voor de vrije beroepen als boek VI.

3.
Op het vlak van de ambulante handel oordeelde het Hof dat de Belgische regeling uit artikel 4 lid 3 van de wet van 25 juni 1993 neerkomt op een totaal verbod van ambulante handel voor producten met een waarde van meer dan 250 EUR, wat opnieuw in strijd is met de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, aangezien dit niet per se misleidend of agressief is. 

Besluit

Praktisch komt de uitspraak van het Hof er dus op neer dat ondernemingen een grotere soepelheid aan de dag kunnen leggen op het vlak van prijsverminderingen en dat bepaalde ‘typisch Belgische’ beperkingen stilaan weggewerkt worden. De Belgische wetgever zal boek VI minstens op het vlak van de prijsverminderingen moeten aanpassen. Misschien wordt het ook tijd om de soldenperiode op te bergen? Het lijkt immers, ondanks de krampachtige pogingen van de wetgever om het tegendeel aan te tonen, duidelijk dat ook solden een handelspraktijk zijn en dus niet strikter kunnen geregeld worden dan toegelaten door de Europese Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.