Met de komst van de Wet Werk en Zekerheid ("WWZ") verdwijnt de kantonrechtersformule en wordt de transitievergoeding geïntroduceerd. Deze transitievergoeding zal in meer gevallen uitgekeerd moeten worden, maar valt in principe lager uit dan de kantonrechtersformule. Deze wijziging gaat in op 1 juli 2015. Recent heeft de kantonrechter Midden-Nederland, locatie Utrecht alvast geanticipeerd op de aankomende transitievergoeding.

Casus

De kantonrechter Utrecht heeft zich gebogen over een ontbindingsprocedure tussen een directeur en een woningbouwcoöperatie. Volgens de kantonrechter was de ontstane situatie te wijten aan zowel de werknemer als de werkgever. Normaliter wordt dan een ontbindingsvergoeding op basis van een neutrale kantonrechtersformule passend bevonden, wat in dit geval op ruim € 300.000 bruto zou neerkomen. De woningbouwcoöperatie had gedurende de onderhandelingen al een beëindigingsvergoeding van € 330.000 bruto aangeboden, wat destijds niet was aanvaard door de directeur.

De kantonrechter besliste echter anders. Gelet op de lange duur van het dienstverband en het hoge salaris van de directeur achtte de kantonrechter de kantonrechtersformule in dit geval niet opportuun. Hierbij heeft de kantonrechter zich enerzijds laten leiden door de maxima die in de van toepassing zijnde Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) zijn gesteld en anderzijds door de transitievergoeding die pas per juli 2015 van kracht wordt.

De WNT werd van belang geacht, omdat een topfunctionaris in de zin van de WNT geen beëindigingsvergoeding mag ontvangen van meer dan € 75.000 bruto. Ondanks dat de kantonrechter terecht opmerkt dat hij bij de vaststelling van de ontbindingsvergoeding niet gebonden is aan deze maxima, had de WNT desondanks een matigend effect op de ontbindingsvergoeding. Ook neemt de kantonrechter een voorschot op de transitievergoeding van de WWZ. Volgens de kantonrechter geeft de grens van de transitievergoeding (en het maximum van de WNT) weer wat maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. De kantonrechtersformule zou tot een ongewenste uitkomst leiden, aangezien een bedrag ad € 300.000 neerkomt op ongeveer het dubbele van een jaarinkomen, wat sterk uitstijgt boven de maximaal toegestane vergoeding onder de transitievergoeding (namelijk maximaal 1 jaarsalaris voor werknemers met een jaarinkomen boven € 75.000).

Gelet op de discussie rondom de hoogte van beëindigingsvergoedingen in het algemeen (en die van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector in het bijzonder) en de invoering van de WNT en de WWZ had de directeur volgens de kantonrechter rekening moeten houden (door bijvoorbeeld geld opzij te leggen) dat bij een eventuele beëindiging van het dienstverband de beëindigingsvergoeding lager zou uitvallen dan in de voorgaande periode het geval zou zijn geweest. Uiteindelijk kent de kantonrechter een ontbindingsvergoeding van € 180.000 toe, om de inkomensachteruitgang te overbruggen gedurende de te verwachte periode van werkloosheid. De beschikking vindt u hier.

Betekenis voor de praktijk

Een zwaluw maakt nog geen zomer en het is dan ook maar zeer de vraag of deze opmerkelijke uitspraak navolging zal vinden. Recente rechtspraak wijst eerder op het tegendeel. Zo is er recent een aantal uitspraken gepubliceerd waarin de kantonrechter juist heeft geoordeeld dat er niet op de WWZ geanticipeerd dient te worden (bijvoorbeeldECLI:NL:RBAMS:2014:7132). Indien de denklijn van de kantonrechter Utrecht al gevolgd zal worden, dan zal dat naar verwachting met name zijn in procedures waarbij de werknemer een hoge positie heeft binnen een sector waarvan het beloningsbeleid onder vuur ligt, zoals de financiële sector of de (semi-)publieke sector.