Zie GwH, nr. 55/2011, 6 april 2011, Arr.GwH 2011, afl. 2, 1135 en GwH nr. 192/2011, 15 december 2011, Arr. GwH. 2011, afl. 5, 3249.Op 26 november 2013 heeft Advocaat-generaal Cruz Villalón geconcludeerd in de zaak C-421/12 van de Europese Commissie tegen België. Die zaak is er gekomen omdat België volgens de Europese Commissie Richtlijn 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken gebrekkig heeft omgezet in het Belgisch recht. Nadat contacten met België geen (of onvoldoende) oplossingen of antwoorden opleverden, stelde de Commissie op 13 september 2012 een beroep in tegen België bij het Hof van Justitie van de EU. 

Met haar beroep viseert de Commissie drie tekortkomingen: 1) De uitsluiting van beoefenaren van vrije beroepen, tandartsen en fysiotherapeuten van het toepassingsgebied van de Marktpraktijkenwet, 2) De regeling omtrent de aankondiging van prijsverminderingen, en 3) Het verbod op bepaalde vormen van ambulante handel.

1. De uitsluiting van beoefenaren van vrije beroepen, tandartsen en fysiotherapeuten van het toepassingsgebied van de Marktpraktijkenwet

De eerste tekortkoming betreft de omstandigheid dat beoefenaren van vrije beroepen, tandartsen of fysiotherapeuten uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de Wet van 5 juni 2007, die de Richtlijn in Belgisch recht heeft omgezet, en van de Marktpraktijkenwet.

Hierbij is het interessant dat het Grondwettelijk Hof de bepalingen van de Marktpraktijkenwet waarin die uitsluiting is vervat reeds ongrondwettig heeft verklaard omdat ze het gelijkheidsbeginsel schenden1. Volgens de Belgische autoriteiten is de eerste tekortkoming daardoor reeds verholpen.

AG Cruz Villalón overweegt echter dat een ongrondwettigverklaring in België niet tot gevolg heeft dat het kan worden uitgesloten dat de bepalingen waarop een dergelijke uitspraak betrekking heeft, later worden toegepast. Na de ongrondwettigverklaring moet in beginsel een beroep tot vernietiging worden toegewezen, waarna de ongrondwettig verklaarde bepalingen uit het Belgisch recht worden “geschrapt”. Ook al is het mogelijk dat de facto de ongrondwettige bepalingen niet meer worden toegepast, dat is niet noodzakelijkerwijs het geval, wat leidt tot rechtsonzekerheid.

Op grond van deze redenering verklaart AG Cruz Villalón het eerste middel van de Europese Commissie gegrond.

2. De regeling omtrent de aankondiging van prijsverlagingen

De tweede tekortkoming die de Commissie aan België verwijt is dat met de Belgische wettelijke regeling de consument wat aankondigingen van prijsverlagingen betreft een strengere bescherming geniet dan voorzien door de Richtlijn 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken. 

Op grond van de Marktpraktijkenwet kunnen producten immers slechts als afgeprijsd worden voorgesteld indien de gevraagde prijs minder bedraagt dan de referentieprijs, zijnde de laagste prijs die de onderneming voor die producten tijdens die maand heeft gevraagd. Een dergelijke strikte voorwaarde wordt niet voorzien in de Richtlijn 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken.

Volgens de Commissie is er geen reden om strengere nationale maatregelen te nemen, ook niet om een hoger niveau van consumentenbescherming te bewerkstelligen, aangezien de Richtlijn de oneerlijke handelspraktijken volledig harmoniseert.

De Belgische autoriteiten ontkennen niet dat deze Belgische bescherming strenger is, maar oordelen dat dit geen probleem is en verwijzen daarbij naar Richtlijn 98/6 betreffende de bescherming van de consument inzake prijsaanduiding. AG Cruz Villalón wijst dit argument echter af en concludeert dat aangezien dergelijke aankondigingen van prijsverminderingen niet op de zwarte lijst in Bijlage I van de Richtlijn staan, ze ook niet mogen verboden zijn in het Belgisch recht.

3. Het verbod op bepaalde vormen van ambulante handel

Ten derde zijn er ook bepaalde vormen van ambulante handel verboden in het Belgisch recht die niet verboden zijn volgens de Richtlijn. Ambulante handel omvat onder meer de verkoop aan huis.

Zo zijn verboden: ambulante activiteiten ten huize van consumenten als ze een totale waarde van meer dan 250 EUR per consument hebben. Ook geneesmiddelen, geneeskrachtige planten en bereidingen op basis ervan alsook ieder ander product dat de verandering van de gezondheidstoestand beoogt, medische en orthopedische apparaten, corrigerende glazen en hun monturen, edele metalen en edelstenen, parels, en wapens en munitie mogen naar Belgisch recht niet het voorwerp uitmaken van een ambulante activiteit.

Hoewel men zich de vraag kan stellen of deze Belgische verbodsbepalingen wel vallen binnen het toepassingsgebied van bepalingen die de nationale regelgevers nog kunnen behouden tijdens een overgangsperiode (zie artikel 3 lid 5 Richtlijn), is dit volgens AG Cruz Villalón eigenlijk irrelevant. België had de Commissie krachtens artikel 3 lid 5 van de Richtlijn immers onverwijld in kennis moeten stellen van de strengere nationale bepalingen en heeft dit niet gedaan. Er is dus inderdaad sprake van een tekortkoming.

Het is nu afwachten of het HJEU de Conclusie van AG Cruz Villalón zal volgen.