De btw op het aanbieden van telecommunicatiediensten in Nederland mag sinds 2 juni 2017 verlegd worden naar de afnemers.

Dat volgt uit een goedkeuring van de Staatssecretaris van Financiën die is neergelegd in een Besluit van 24 mei 2017. De goedkeuring geldt alleen voor telecommunicatiediensten die worden verricht tussen aanbieders van telecommunicatiediensten onderling; voor telecommunicatiediensten verricht aan de zogenoemde eindgebruikers van de dienst, mag de verleggingsregeling niet worden toegepast. Daardoor geldt de goedkeuring niet voor telecommunicatiediensten die door de afnemer worden ingekocht met het doel om de diensten in de eigen organisatie te verbruiken. Met de goedkeuring wordt beoogd btw-carrouselfraude tegen te gaan en meer rechtszekerheid te bieden aan de betrokken ondernemers.

Indien btw wordt verlegd naar de afnemer van een dienst, berekent de aanbieder van de dienst geen btw. In plaats daarvan geeft de aanbieder op de factuur aan dat de btw is verlegd naar de afnemer van de dienst. De afnemer moet de btw vervolgens opnemen in zijn btw-aangifte en kan die meestal in dezelfde aangifte in vooraftrek brengen. Daardoor wordt per saldo geen btw afgedragen of teruggevraagd. Doordat per saldo geen btw wordt teruggevraagd, draagt toepassing van de verleggingsregeling bij aan de bestrijding van btw-carrouselfraude.

De bestrijding van btw-carrouselfraude is mede in het belang van de (bonafide) aanbieders van telecommunicatiediensten. Op grond van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie kan bij een ondernemer namelijk het recht op vooraftrek van btw worden geweigerd, indien (i) ergens in de dienstenketen btw-fraude is gepleegd en (ii) de ondernemer van die fraude wist of had moeten weten.

De goedkeuring loopt vooruit op een aanpassing van de regelgeving, waardoor het toepassen van de verleggingsregeling in voornoemde situaties verplicht wordt. Tot die tijd is toepassing van de verleggingsregeling facultatief.