Overview

Op 6 maart 2018 heeft minister Van Engelshoven (Emancipatie) de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het aandeel vrouwen aan de top van het bedrijfsleven.

Content

Dit gebeurde aan de hand van de Bedrijvenmonitor Topvrouwen 2017 van de commissie Monitoring Streefcijfer Wet Bestuur en toezicht. De commissie constateert dat het een beetje beter gaat, maar nog lang niet voldoende. Daarom adviseert de commissie de politiek tot het instellen van een afdwingbaar quotum.

Hier een link naar de bedrijvenmonitor Topvrouwen 2017.

Wettelijk streefcijfer zou in 2019 moeten worden behaald

In de inleiding van de bedrijvenmonitor constateert de commissie dat het wettelijk streefcijfer is voortgezet tot 1 januari 2020 omdat met de evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen tot nu toe onvoldoende voortgang is geboekt. Ook de nieuwe Bedrijvenmonitor laat weliswaar enige vooruitgang zien, maar nog steeds wordt onvoldoende gebruik gemaakt van het potentieel aan vrouwelijk talent. ‘Een beetje beter, maar nog lang niet voldoende’ is de conclusie van de commissie.

De actuele cijfers vallen tegen wat de commissie betreft. Tot nu toe heeft het bedrijfsleven onvoldoende laten zien in staat te zijn om op eigen kracht diversiteit in bestuur en toezicht te realiseren vindt de commissie. Ondanks alle discussie en aandacht voor het onderwerp neemt het aantal bedrijven dat het streefcijfer realiseert maar mondjesmaat toe. In de vier jaar dat ze monitoren, is er nog steeds een grote achterhoede die niet beweegt. Bij 90% van de ondernemingen veranderde de m/v-samenstelling in de raad van bestuur het afgelopen jaar niet. Bij 85% bleef ook het aantal vrouwen in de raad van commissarissen gelijk.

Commissie acht de tijd rijp voor meer druk en dwingende maatregelen

Nederland blijft conservatief ogen en dat is zeer teleurstellend, aldus de commissie. Bedrijven die waarde hechten aan diversiteit en er aandacht aan schenken, laten zien dat het streefcijfer realiseerbaar is, volgens de commissie. Volgens de commissie lijkt de tijd dan ook rijp voor meer druk en meer dwingende maatregelen; daarom adviseert de commissie de politiek tot het instellen van een afdwingbaar quotum.

De commissie beveelt een geleidelijke invoer van het quotum aan, dat wil zeggen een ‘ingroeiquotum’ dat op termijn effectief leidt tot het behalen van het einddoel van 30% m/v. Bijvoorbeeld door het quotum met 2 procentpunt per jaar te verhogen, zodat de 30% in 2025 gerealiseerd wordt.

De komende jaren, tot 1 januari 2020, kunnen benut worden om de wettelijke regeling voor een ingroeiquotum nader in te vullen en na te denken over het toepassingsgebied van de wet, zoals de bedrijven waarop de wet van toepassing is en de bestuurslagen waarop de wet betrekking heeft. Indien sprake is van een executive committee, zijnde de ‘dagelijkse beleidsbepalers’, zou het zinvol kunnen zijn het streefcijfer ook van toepassing te verklaren op deze bestuurslaag. Ook dient nagedacht te worden over de sancties in het geval van niet-naleving. Andere landen kunnen tot voorbeeld dienen. Sancties in de landen om ons heen variëren van waarschuwingen en boetes tot het intrekken van het mandaat van bestuurders, het ongeldig verklaren van benoemingen en het onbezet laten van vacante zetels.

Maatregelen kabinet

De minister heeft in haar brief aan de Tweede Kamer aangegeven dat het kabinet in elk geval meer werk zal maken van het aanspreken van relevante stakeholders en daarin samen op zal trekken met werkgeversorganisatie VNO-NCW, de kwartiermakers Vrouwen naar de Top en de Stichting Topvrouwen.

De minister geeft verder aan dat zij van plan is om de nieuw in te stellen Monitoring Commissie Corporate Governance Code te vragen om diversiteit, waaronder het percentage vrouwen in de top, tot een van haar speerpunten te maken in de werkzaamheden in het kader van de monitoring van de naleving van de Code over boekjaar 2017.

Voorjaar 2019 zal de minister opnieuw aan de Tweede Kamer rapporteren over de voortgang en daarbij de balans opmaken.