In het Unamar-arrest (HvJ C-184/12) heeft het Europees Hof van Justitie zich uitgesproken over de vraag of de agentuurwet van één lidstaat van de Europese Unie opzij kan geschoven worden in het voordeel van de agentuurwet van een andere lidstaat, die de agent een ruimere bescherming biedt. 

Op het vlak van agentuurovereenkomsten voorziet de richtlijn 86/653 van 18 december 1986 een geharmoniseerde minimale bescherming voor de agent.

Het Belgische bedrijf United Antwerp Maritime Agencies (UNAMAR) had in 2005 een handelsagentuurovereenkomst afgesloten met een Bulgaarse principaal (Navigation Maritime Bulgare). Partijen kozen voor het Bulgaarse recht en voor arbitrage in Sofia.

Toen de overeenkomst echter door de principaal werd opgezegd, vocht Unamar deze beslissing voor de Belgische rechtbank aan, op basis van de Belgische agentuurwetgeving.

Kan de rechter de arbitrageclausule terzijde schuiven?

De Belgische rechter zou in principe kunnen weigeren om de zaak naar arbitrage te verwijzen, indien de dwingende bepalingen van zijn nationaal recht zich daartegen verzetten. Voor agentuurovereenkomsten met een arbitrageclausule die voorziet in een toepassing van het recht van een andere Europese lidstaat rijst hierover echter twijfel.

Wanneer gekozen zou worden, niet voor buitenlandse arbitrage, maar voor de bevoegdheid van een buitenlandse Europese rechter, kan de Belgische rechter niet weigeren om de zaak naar deze rechter door te verwijzen. In dat geval zal immers de EEX-verordening primeren die de keuze voor de buitenlandse rechter mogelijk maakt.

Kan de keuze voor Bulgaars recht terzijde worden geschoven?

Bulgarije en België hebben beide de Europese richtlijn inzake agentuurovereenkomsten omgezet zodat in beide nationale wetgevingen de Europese minimale bescherming voor de agent verzekerd is. De richtlijn laat echter de lidstaten op verschillende vlakken de keuze om in een ruimere bescherming te voorzien. Na analyse van beide wetgevingen had Unamar vastgesteld dat artikelen 18-20 en 21 van de Belgische wet haar een grotere schadevergoeding gunnen dan de Bulgaarse omzetting van de agentuurrichtlijn.

De Rechtbank van Koophandel te Antwerpen beriep zich op het dwingende karakter van de Belgische agentuurwet om de verwijzing naar de Bulgaarse arbitrage te weigeren. Het Hof van Beroep te Antwerpen deelde die mening niet en stelt vast dat de keuze voor Bulgaars recht geldig is overeenkomstig het EVO-Verdrag (gelijkaardig aan de Rome-I-Verordening) dat aan partijen de vrije keuze laat van toepasselijk recht. De rechter kan alleen de bepalingen van internationale openbare orde of de bijzonder dwingende bepalingen van zijn nationaal recht laten primeren op een geldige rechtskeuze in de overeenkomst. De agentuurwet valt daar niet onder en het Bulgaarse recht voorziet bovendien in de Europees opgelegde minimumbescherming. 

UNAMAR stelde cassatieberoep in en het Hof van Cassatie stelde hierover een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie. 

Kan de rechter van een lidstaat de agentuurwetgeving van een andere lidstaat, die partijen uitdrukkelijk van toepassing verklaard hebben op hun agentuurovereenkomst, opzij schuiven om de agentuurwetgeving van zijn eigen lidstaat, die de agent een ruimere bescherming biedt, toe te passen?

Het Hof is de Belgische agent UNAMAR niet gevolgd. Het oordeelde dat indien partijen voor de agentuurwetgeving van een lidstaat gekozen hebben, de rechter die keuze nadien niet naast zich neer kan leggen, indien het gekozen nationale recht het recht is van een andere Europese lidstaat die de Europese minimumbescherming biedt. De rechter moet de keuze van de partijen dus respecteren. 

Het Hof preciseert echter wel dat de rechter voor wie het geschil aanhangig is gemaakt, voorrang mag geven aan bepalingen van bijzonder dwingend recht, ook wanneer het aangewezen recht het recht is van een Europese lidstaat die in een Europese minimumbescherming voorziet zoals opgelegd door een Europese Richtlijn. 

Het vernieuwende van dit arrest rust dus in het feit dat ook wat de Europees geharmoniseerde materie van de agentuurovereenkomst betreft, er toch sprake zou kunnen zijn van bepalingen van “bijzonder dwingend recht” zoals gedefinieerd in de EVO-overeenkomst, opgevolgd door de Rome-I-Verordening inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. Het Hof stelt wel dat “bijzonder dwingend recht” strikt moet worden geïnterpreteerd. Dit gaat alleen om bepalingen die betrekking hebben tot de handhaving van de "politieke, sociale of economische organisatie" van het land. Er kan moeilijk worden ingezien hoe de agentuurwetgeving, als regeling van puur commerciële overeenkomsten, de politieke, sociale of economische organisatie van het land zou raken...

Besluit

Praktisch komt de uitspraak van het Hof er dus op neer dat de rechter de wil van partijen om de agentuurwet van een lidstaat op hun samenwerking toe te passen, moet respecteren. De rechter kan de wil van partijen ook niet ter zijde schuiven om na de beëindiging (of op om het even welk ander moment) een voor de agent voordeligere agentuurwet van een andere lidstaat toe te passen. Deze uitspraak bewijst dus nogmaals dat het de moeite loont om vooraleer een agentuurcontract af te sluiten, na te gaan welke agentuurwetgeving de meest voordelige basis voor samenwerking is. 

Gevolgen voor de alleenverkoopovereenkomsten?

De vraag is verder of deze strikte interpretatie van “bijzonder dwingend recht” ook op bijvoorbeeld de concessieovereenkomst toegepast zal worden. Raakt de alleenverkoopwet van 27 juli 1961 de “politieke, sociale of economische organisatie" van het land? Kan de Belgische rechter dan nog langer weigeren om gevolg te geven aan een keuze voor een buitenlands recht wanneer hij de beëindiging van een Belgische alleenverkoopovereenkomst dient te beoordelen?