Inleiding Op 30 januari 2018 heeft het Europese Hof van Justitie in twee Nederlandse zaken (C-360/15 en C-31/16) zich uitgesproken over het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn.

Het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn is zeer ruim. Alle nationale wetgeving die betrekking heeft op dienstverlening of detailhandel dient aan de Dienstenrichtlijn te worden getoetst. Dit geldt ook voor ruimtelijke voorschriften zoals bestemmingsplannen, provinciale verordeningen en gemeentelijke APV’s. Leges voor de aanleg van glasvezelkabels vallen buiten het bereik van de richtlijn.

De nationale rechtspraak zal naar aanleiding van het arrest op verschillende punten moeten worden aangepast. Supermarkten, schoenenwinkels en bouwmarkten kunnen zich thans wel op de Dienstenrichtlijn beroepen. Dit betekent dat (decentrale) overheden regelgeving die betrekking heeft op detailhandel dienen te toetsen aan de Dienstenrichtlijn. Het maakt daarbij geen verschil of een Nederlandse onderneming zich op de normen in de richtlijn beroept of een onderneming uit een andere lidstaat.

Essentie Het Hof van Justitie heeft geoordeeld, anders dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tot op heden meende, dat detailhandel in goederen een “dienst” is en daarop derhalve de Dienstenrichtlijn van toepassing is.

Voor bijvoorbeeld brancheringsregels uit een bestemmingsplan betekent dit dal getoetst zal moeten worden of deze wel verenigbaar zijn met de artikelen 14 en 15 van de Dienstenrichtlijn. Zo is een brancheringsregeling op grond waarvan detailhandel in niet-volumineuze goederen buiten stadscentra niet is toegestaan een regel die de toegang tot de uitoefening van een dienstenactiviteit afhankelijk stelt van het territoriale beperking. In beginsel is dit krachtens artikel 15 van de Dienstenrichtlijn verboden. Hiervan kan worden afgeweken indien de desbetreffende regel niet discriminerend, noodzakelijk en evenredig is. Dat zou volgens het Hof van Justitie bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de desbetreffende regel opgesteld is met het oogmerk om in het kader van de goede ruimtelijke ordening de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en/of de leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen. Deze redenen vormen dan een dwingende reden van algemeen belang die een dergelijke beperking rechtvaardigt.

Praktijk Er zullen in de komende periode de nodige uitspraken volgen waaruit zal blijken of de onderliggende ter discussie gestelde bestemmingsplannen en andere decentrale regels de toets van de Dienstenrichtlijn kunnen doorstaan. Voor wat betreft bestemmingsplannen zal dit wellicht meevallen omdat in het kader van de goede ruimtelijke ordening er in feite ook al naar dergelijke voorwaarden gekeken dient te worden. Voor wat betreft andere decentrale regels, provinciale verordeningen dan wel ander gemeentelijk en provinciaal beleid, zal dit wellicht anders liggen.