Inleiding

In de uitspraak van 23 augustus 2017 in het geschil over een mestbassin in Mechelen (Limburg) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het criterium “gevolgen van enige betekenis” nader ingevuld. Dit criterium speelt een belangrijke rol bij de vraag wie belanghebbende is bij geschillen over omgevingsrechtelijke besluiten. Tot dan was er in de rechtspraak onduidelijkheid over de invulling van dit criterium. Met deze nadere invulling en de toelichting daarop hoopt de Afdeling deze onduidelijkheid nu weggenomen te hebben.

Casus

In de zaak die tot deze uitspraak leidde, bevond zich een mestbassin op een afstand van ongeveer 300 tot 600 meter van woningen van betrokkenen. Ter plaatse van deze woningen waren feitelijke milieugevolgen van het mestbassin waar te nemen. Deze gevolgen waren te kwalificeren als “gevolgen van enige betekenis”. Ter zake deze kwalificatie was van belang dat de geur zich met name voordeed als het mestbassin net gevuld was en de wind in de richting van de betreffende woningen stond. Dat de geur zich dan niet continu, maar wel regelmatig voordeed, was niet doorslaggevend. Ook was niet doorslaggevend dat de geur doorgaans al als penetrant wordt ervaren. De Afdeling vond dat er toch voldoende milieugevolg was, de frequentie van de feitelijke gevolgen voldoende was en ook de aard en de intensiteit van de feitelijke gevolgen voldoende aanwezig waren. Onder deze omstandigheden diende geconstateerd te worden dat de betreffende omwonenden van het mestbassin “gevolgen van enige betekenis” moesten onderkennen. Zij waren daarmee belanghebbenden en hadden daarom recht om tegen de vergunning in rechte op te komen.

Uitgangspunt

Om te kunnen bepalen of iemand belanghebbende is bij een besluit, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Maar die feitelijke gevolgen moeten dan wel iets voorstellen. Daarom wordt het criterium “gevolgen van enige betekenis” gehanteerd als correctie op dit uitgangspunt.

Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene zo gering zijn dat het persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij spelen de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie of risico) van de activiteit een rol. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Als bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of iemand belanghebbende is bij het besluit. De kring van belanghebbenden kan afhankelijk zijn van de aard van het besluit. Zo hoeft deze kring bij een handhavingsbesluit niet altijd samen te vallen met die bij een besluit tot vergunningverlening.

Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het doorgaans de taak van het bestuursorgaan om bij een bestuurlijke voorprocedure de kring van belanghebbenden vast te stellen. Als (hoger) beroep wordt ingesteld, is het aan de bestuursrechter om te beoordelen wie voldoende belanghebbend zijn bij een besluit. De rechtzoekende hoeft in beginsel niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende is, alleen als de vraag aan de orde is of “gevolgen van enige betekenis” ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de rechtzoekende worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van activiteiten ondervindt of vreest te zullen ondervinden.

Conclusie

In beginsel is degene die rechtstreeks feitelijk gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, belanghebbende bij dat besluit. Echter, de feitelijke gevolgen moeten dan wel iets voorstellen. Met het criterium “gevolgen van enige betekenis” en de toelichting daarop is nu door de Afdeling nader aangeduid wanneer daarvan sprake is. In beginsel dient het bestuursorgaan dit te onderzoeken. Indien dit vraagstuk daarna speelt bij de bestuursrechter, zal de bestuursrechter hier onderzoek naar moeten doen en kan de bestuursrechter hierover nadere inlichtingen bij de omwonenden opvragen.