In deze uitspraak oordeelt het hof Amsterdam dat indien een verzekerde bij het aangaan van een verzekering bepaalde belangrijke feiten verzwijgt, het een verzekeraar in beginsel vrij staat om haar eigen individuele acceptatiebeleid te volgen.

Feiten

In 2007 heeft verzekerde een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten bij verzekeraar Delta Loyd. Verzekerde heeft voorafgaand een gezondheidsverklaring ingevuld. Hierin werd onder andere gevraagd of verzekerde leed of heeft geleden aan één of meer op de verklaring opgesomde aandoeningen.

Vervolgens doet verzekerde in 2009 een schademelding van arbeidsongeschiktheid bij de verzekeraar.

Nadat de verzekeraar de medische informatie van de verzekerde heeft ontvangen, besluit de verzekeraar een onderzoek naar verzwijging in te stellen. Uit dit onderzoek blijkt dat verzekerde de gezondheidsverklaring onjuist en/of onvolledig had ingevuld. De verzekeraar zegt de verzekering vervolgens direct op wegens verzwijging en vordert de reeds uitgekeerde bedragen terug.

In eerste aanleg heeft verzekerde in rechte nakoming van de verzekeringsovereenkomst gevorderd. Deze vordering wordt door rechtbank afgewezen. Verzekerde heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.

Mededelingsplicht verzekerde

Op grond van art. 7:928 lid 1 BW rust op de verzekerde, bij het aangaan van een verzekeringsovereenkomst, een mededelingsplicht ten aanzien van feiten die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij weet of behoort te begrijpen dat deze relevant zijn voor de beslissing van de verzekeraar om de verzekeringsovereenkomst al dan niet te sluiten. Indien verzwegen feiten gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomst aan het licht komen, kan de verzekeraar – indien hij bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten – de verzekeringsovereenkomst opzeggen (art. 7:929 lid 2 BW) en is hij geen uitkering verschuldigd (art. 7:930 lid 4 BW).

De vraag of een verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten, kwam aan de orde in het zogenaamde Wilhelmina-arrest (Hoge Raad 19 mei 1978, NJ 1978, 607). Hierin heeft de Hoge Raad het criterium ‘de redelijk handelend verzekeraar’ geïntroduceerd.

In deze zaak staat de vraag centraal of de verzekeraar, bij kennis van de ware stand van zaken, de verzekering zou hebben gesloten. Meer specifiek is in geschil of deze vraag beantwoord moet worden aan de hand van de maatstaf ‘een redelijk handelend verzekeraar’ of aan de hand van het individuele acceptatiebeleid van de verzekeraar.

Inhoudelijke beoordeling hof

Het hof verwijst om te beginnen naar de wetsgeschiedenis van de artikelen 7:928 BW tot en met 7:931 BW. Het hof overweegt dat hieruit niet volgt dat slechts bepalend is of ‘een redelijk handelend verzekeraar’ bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering zou hebben gesloten maar dat ook betekenis toekomt aan wat de verzekeraar aan de hand van zijn individuele acceptatiebeleid had gedaan.

Kortom, het hof meent dat het criterium uit het Wilhelmina-arrest nog altijd van belang is, maar dat ook acht mag worden geslagen op de concrete acceptatiecriteria van de betreffende verzekeraar.

Het hof stelt dat het acceptatiebeleid van de verzekeraar voldoende is terug te voeren op de richtlijnen zoals opgenomen in de handleiding. Derhalve overweegt het hof dat de verzekeraar aan de hand van de handleiding en richtlijnen van haar medisch adviseur voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat hij de verzekering bij kennis van de ware stand van zaken niet zou hebben gesloten. Bovendien had de verzekerde uit de aan hem voorgelegde gezondheidsverklaring behoren te begrijpen dat de gevraagde informatie van belang was voor de beoordeling van het te verzekeren risico en daarmee voor de vraag of de verzekeraar bereid was dit risico te verzekeren. Naar het oordeel van het hof heeft de verzekeraar haar acceptatiebeleid voldoende aangetoond.

Conclusie

Deze uitspraak laat zien dat naast het criterium "redelijk handelend verzekeraar" ook het individuele acceptatiebeleid van de verzekeraar relevant is bij de vraag of de verzekeraar de verzekering bij kennis van de ware stand van zaken zou hebben gesloten. Verzekeraars doen er daarom verstandig aan om bij een beroep op verzwijging het acceptatiebeleid voldoende toe te lichten en te onderbouwen.