1.- Inleiding 

Een discussie die al een tijd gaande is in de rechtsspraak en de rechtsleer, is de vraag of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (hierna ‘de a.b.b.b.’) en de motiveringswet van 29 juli 1991 al dan niet van toepassing zijn in geval van ontslag van een contractueel personeelslid bij de overheid. 

Een arrest van het Arbeidshof van Gent van 13 februari 2013 (dat recent gepubliceerd werd), heeft inmiddels een belangrijke indicatie gegeven naar welke kant de munt zal vallen in deze discussie. Hieronder zullen wij een analyse geven van het desbetreffende arrest. 

2.- De feiten

Nadat een technisch beambte, die op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur tewerkgesteld werd, door een gemeente ontslagen werd, ging deze tot tweemaal in beroep tegen deze ontslagbeslissing. Daarbij haalde de technisch beambte onder andere aan dat de gemeente de motiveringswet van 29 juli 1991 en de a.b.b.b. had moeten naleven bij het geven van zijn ontslag. Na in eerste aanleg de zaak verloren te hebben, stelde ook het Arbeidshof te Gent de technisch beambte in het ongelijk en wees het de toepassing van de motiveringswet van 29 juli 1991 en de a.b.b.b. bij het ontslag van de technisch beambte af. 

3.- De horizontalisering van de overheid als werkgever

Het argument van de technisch beambte dat de gemeente het ontslag diende te motiveren op basis van de motiveringswet van 29 juli 1991, werd door het Arbeidshof als foutief beschouwd. Daarnaast gaf het Arbeidshof ook aan dat de a.b.b.b. in het algemeen buiten toepassing blijven in geval van ontslag van een contractueel personeelslid bij de overheid. 

Het Arbeidshof is immers van oordeel dat de overheid afwijkt van de traditionele tewerkstellingsvorm in de publieke sector, met name de statutaire tewerkstelling, door te opteren voor contractuele tewerkstelling. Hiermee horizontaliseert de arbeidsverhouding tussen de overheid en de betrokken arbeidscontractant, gezien de overheid bij contractuele tewerkstelling de hoedanigheid krijgt van een werkgever die onderworpen is aan het private arbeidsovereenkomstenrecht. Aangezien de overheid daarbij wetens en willens afstand doet van haar bijzondere publiekrechtelijke positie, dienen in geval van ontslag enkel nog de bepalingen van het private arbeidsrecht nageleefd te worden en niet die van het bestuursrecht. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur vormen immers, net als de motiveringswet van 29 juli 1991, een correctie op de bevoorrechte positie van het bestuur ten aanzien van de bestuurde. Derhalve moet ook aangenomen worden dat wanneer een overheid optreedt binnen het kader waarin zij geen bevoorrechte positie heeft, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de motiveringswet van 29 juli 1991 buiten toepassing blijven. 

4.- Conclusie

Het blijft natuurlijk afwachten of de bovenstaande rechtsspraak van het Arbeidshof door de verschillende rechtscolleges herbevestigd zal worden, maar de uitspraak van het Arbeidshof geeft toch reeds een zeer belangrijke indicatie over de toepassing van de a.b.b.b. en de motiveringswet van 29 juli 1991 in geval van het ontslag van een contractueel personeelslid in overheidsdienst. Gelet op het gegeven dat er in de publieke sector een regeling op komst is met betrekking tot de ontslagmotivering (vergelijkbaar met de regeling in de C.A.O. nr. 109 die geldt in de private sector), achten wij de kans groot dat de a.b.b.b. en de motiveringswet van 29 juli 1991 in de toekomst ook definitief buiten spel gezet zullen worden bij het ontslag van een contractueel personeelslid in overheidsdienst.