In een civiele procedure wegen in beginsel het algemene maatschappelijk belang van waarheidsvinding en het belang dat partijen hebben om hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken zwaarder dan het belang van uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs. Alleen indien sprake is van bijkomende omstandigheden is terzijdelegging van onrechtmatig verkregen bewijs gerechtvaardigd.[1] In de onderhavige zaak achtte de Hoge Raad uitsluiting van het bewijs, dat de verzekeraar had verkregen door middel van een persoonlijk onderzoek, gerechtvaardigd.[2]

Feiten

Verzekerde heeft op 1 maart 2001 bij Interpolis een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Op grond van de algemene voorwaarden was verzekerde in geval van arbeidsongeschiktheid verplicht gevraagd en ongevraagd juiste en volledige informatie aan Interpolis te verstrekken op straffe van beëindiging van het recht op uitkering en de verzekering. Verzekerde heeft zich vanaf 8 april 2003 bij Interpolis arbeidsongeschikt gemeld. Interpolis heeft vervolgens uitgekeerd. In juli 2006 heeft Interpolis een persoonlijk onderzoek naar verzekerde ingesteld. In dat kader moest verzekerde een vragenlijst invullen en gedurende een week een dagboek bijhouden van zijn activiteiten. Daarnaast is verzekerde in september 2006 geobserveerd. De conclusie van het persoonlijk onderzoek was dat verzekerde bewust onjuiste informatie aan Interpolis had verstrekt. Interpolis heeft vervolgens aan verzekerde medegedeeld dat zij de uitkering en de arbeidsongeschiktheidsverzekering beëindigde. Vervolgens heeft Interpolis in rechte gevorderd verzekerde te veroordelen tot restitutie van de gedane uitkeringen ad € 56.189,34 en vergoeding van de kosten van het onderzoeksrapport ad € 18.090,97.

Oordeel van het hof

In tegenstelling tot de rechtbank wijst het hof de vordering van Interpolis af.  Het hof oordeelt dat uit de gestelde feiten en omstandigheden niet in redelijkheid het vermoeden kan volgen dat verzekerde fraude heeft gepleegd. Van een structureel gebrek aan medewerking van verzekerde is niet gebleken. Interpolis heeft daarom onvoldoende acht geslagen op het subsidiariteitsbeginsel. Een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer levert in beginsel een onrechtmatige daad op tenzij sprake is van een rechtvaardigingsgrond. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door de ernst van de inbreuk af te wegen tegen de belangen die met de inbreuk redelijkerwijs kunnen worden gediend. Ondanks het feit dat de ernst van de inbreuk beperkt is gebleven, acht het hof in dit geval geen rechtvaardigingsgrond aanwezig. Ten aanzien van de uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijs oordeelt het hof dat beloning van een verzekeraar die de gedragscode schendt – door het onrechtmatig verkregen bewijs tot haar voordeel te laten strekken – niet strookt met het doel van zelfregulering. Daarbij acht het hof het van belang dat Interpolis onvoldoende alternatieve wijzen van informatieverzameling heeft benut om te bezien of haar gestelde vermoeden van fraude ontkracht kon worden en dat niet gezegd kan worden dat verzekerde door zijn opstelling de onoorbare wijze van bewijsgaring heeft uitgelokt of in de hand heeft gewerkt. Het hof laat daarom de resultaten van het persoonlijke onderzoek buiten beschouwing.

Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. De Hoge Raad overweegt dat het instellen van een persoonlijk onderzoek een inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde. Een zodanige inbreuk is in beginsel onrechtmatig. Een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen de ernst van de inbreuk op het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. In dat verband kunnen de aard en inhoud van de verzekeringsovereenkomst mede van belang zijn. In het onderhavige geval gaat het om een afweging van het belang van de verzekerde bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer tegen het belang van de verzekeraar bij het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van het recht op een verzekeringsuitkering. Met de Gedragscode heeft het Verbond van Verzekeraars beoogd invulling te geven aan de hiervoor genoemde belangenafweging, met name door de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De beslissing van Interpolis om een persoonlijk onderzoek in te stellen moet daarom worden getoetst aan de in de Gedragscode uitgewerkte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Indien bewijsmateriaal wordt verkregen door middel van een inbreuk op het recht van de persoonlijke levenssfeer, moet dat bewijsmateriaal worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt en het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken zwaarder dan het belang van uitsluiting van het bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van het onrechtmatig verkregen bewijs gerechtvaardigd.

Ten aanzien van het persoonlijk onderzoek oordeelt de Hoge Raad dat het hof met zijn overwegingen – dat dient te worden vastgesteld dat de verzekerde structureel weigert medewerking te verlenen en dat sprake moet zijn van een verzekerde die de verzekeraar bij de schadebehandeling grondig en/of structureel misleidt of heeft misleid – tot uitdrukking heeft gebracht dat eerst indien de conclusie gerechtvaardigd is dat het vragen van nadere medewerking van de verzekerde zelf geen zin heeft tot het inzetten van het veel zwaardere middel van een persoonlijk onderzoek mag worden overgegaan. Deze uitleg is volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Ten aanzien van het uitsluiten van het onrechtmatig verkregen bewijs oordeelt de Hoge Raad dat het hof bij zijn beslissing om de resultaten van het persoonlijk onderzoek buiten beschouwing te laten terecht mede het doel van de Gedragscode in aanmerking heeft genomen waarmee niet strookt dat in de omstandigheden van dit geval in strijd daarmee verkregen bewijsmateriaal toch door een verzekeraar kan worden gebruikt.

Conclusie

Uit dit arrest blijkt dat het bewijs dat verzekeraars in strijd met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek verkrijgen, onder bepaalde omstandigheden kan worden uitgesloten.