Inleiding

In de onderhavige zaak1 werden twee elkaar opvolgende assurantietussenpersonen aansprakelijk gesteld voor de schade die verzekerde leed als gevolg van onderverzekering voor de inboedel van zijn privé-woning. Deze onderverzekering werd veroorzaakt door het feit dat de verzekerde niet had voldaan aan aanvullende beveiligingsvereisten. 
Het feit dat een verzekerde niet heeft voldaan aan deze aanvullende beveiligingsvereisten, zou aanleiding kunnen geven om een beroep te doen op de eigen schuld van verzekerde. Het verdient echter aanbeveling om in een procedure voor meerdere ankers te gaan liggen, waaronder de betwisting van het bestaan van causaal verband tussen de vermeende schending van de zorgplicht en de schade. 
Zowel rechtbank als hof honoreert dit verweer. De Hoge Raad overweegt dat de klachten in cassatie geen doel treffen, maar de Hoge Raad gaat nog in op de aspecten van causaal verband.
In dit artikel worden deze aspecten behandeld en wordt aangegeven dat de keuze voor het inrichten van verweren in een procedure bepalend kan zijn voor de uitkomst van de procedure.

Feiten

Geen verhoging verzekerde som

In 2002 verzoekt eiser zijn assurantietussenpersoon ("T") om een verhoging van de verzekerde som van 200.000 NLG naar 800.000 NLG met betrekking tot een inboedelverzekering die bij Nationale Nederlanden ("NN") voor een privéwoning (een rijksmonument) was afgesloten.

NN heeft voor de verlangde verhoging voorlopig dekking verleend omdat de beveiliging aan nadere beveiligingseisen diende te voldoen. Eiser liet vervolgens het beveiligingssysteem aanpassen. Op 25 september 2002 heeft eiser het van het installatiebureau ontvangen Borg-Certificaat doorgestuurd naar T. T heeft dat certificaat pas circa tien maanden later doorgestuurd naar NN.

Op 17 oktober 2003 bericht T dat de verzekering nog niet was aangepast omdat de beveiliging niet aan de eisen van borgklasse 3 voldeed en dat om aan die eisen te voldoen ook nog bouwkundige aanpassingen nodig waren. In reactie hierop heeft eiser T laten weten dat de beveiliging wel degelijk aan borgklasse 3 voldeed en dat dit zou blijken uit het reeds toegezonden Borg-Certificaat.

Vervolgens laat NN per brief d.d. 22 december 2003 aan T weten dat de voorlopige dekking vervalt. In deze brief verzoekt NN tevens verzekerde erop te wijzen dat sprake is van eventuele onderverzekering. Eiser stelt deze brief nooit te hebben ontvangen.

Uit onvrede over de dienstverlening van T stapt eiser begin juni 2006 over naar een andere tussenpersoon ("T2").

Eveneens in juni 2006 brengt T2 eiser ervan op de hoogte dat de verzekerde som niet was verhoogd. T2 vraagt een nieuwe inboedelverzekering aan, nu voor een verzekerde som van € 800.000,=. Voor dit bedrag wordt voorlopig dekking verleend onder de voorwaarde dat aan een aantal beveiligingseisen wordt voldaan.

Op 20 mei 2007 wordt in de woning van eiser ingebroken. De schade bedraagt € 73.631,10. NN vergoedt, gezien de nog altijd aanwezige onderverzekering, € 12.633,59.  Eiser heeft T en T2 aansprakelijk gesteld voor de niet onder de oude inboedelverzekering gedekte schade. Met T2 treft eiser een regeling van € 20.000,=. Eiser dagvaardt T voor het restant (circa € 40.000,=). Eiser beroept zich daarbij op schending van de zorgplicht. Zowel de rechtbank als het hof wijzen de vordering af en de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Juridisch: schending zorgplicht, causaal verband, eigen schuld?

Schending zorgplicht als uitgangspunt genomen

Van belang is dat het hof veronderstellenderwijs heeft aangenomen dat T tekort is geschoten in zijn zorgplicht als tussenpersoon jegens eiser. De schending van de zorgplicht bestaat volgens het hof uit het nalaten verdere actie richting NN te ondernemen in verband met het al dan niet verhogen van de verzekerde som. Daarnaast heeft T geen actie ondernomen in de richting van eiser naar aanleiding van de brieven van verzekeraar. Het hof overweegt echter dat de schade wegens de in mei 2007 nog bestaande onderverzekering niet meer aan de eerste tussenpersoon kan worden toegerekend. Met andere woorden; de vordering strandt op het ontbreken van causaal verband tussen de door eiser geleden schade uit onderverzekering en de veronderstelde tekortkoming van T.

De klachten in cassatie treffen geen doel wegens gemis aan feitelijke grondslag. Bij de bespreking van de cassatiemiddelen gaat de Hoge Raad wel uitvoerig in op de feitelijke-logische kant en de normatieve kant van het causaal verband.

Causaal verband

De feitelijke logische kant heeft te maken met de eis dat de gebeurtenis, waaraan de aansprakelijkheid verbonden wordt, in een zogenoemd "conditio-sine-qua-non-verband" staat met de schade waarvoor vergoeding wordt gevorderd. Dit verband is aan te nemen als de bedoelde gebeurtenis, eventueel na andere gebeurtenissen te hebben weggedacht, een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de schade is. De normatieve kant, welke maatstaf is neergelegd in artikel 6:98 BW, houdt in dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt: schade die in zodanig verband staat dat de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (de "toerekeningsvraag").

Aspecten die bij de beantwoording van deze toerekeningsvraag een rol kunnen spelen zijn niet alleen de genoemde aard van de aansprakelijkheid (bijvoorbeeld schuld-risico-aansprakelijkheid) en van de schade (bv. zuivere vermogensschade of letselschade), maar ook de lengte van het feitelijke verband tussen feit en schade en de voorzienbaarheid en waarschijnlijkheid van de schade. In verband met dit laatste kan meespelen in hoeverre verwacht mag worden dat maatregelen tegen het intreden of verder intreden van schade worden getroffen, aldus de Hoge Raad.

Aan eigen schuld niet toegekomen

In deze laatste regel zou men ook een eigen schuldaspect kunnen lezen. De Hoge Raad oordeelt echter dat de overwegingen van het hof daartoe geen aanleiding geven, nu uit het oordeel van het hof duidelijk volgt dat het hof tot afwijzing van de schadevordering tegen T komt, omdat het van oordeel is dat de door eiser geleden schade uit onderverzekering niet op de voet van art. 6:98 BW aan T is toe te rekenen.

Bewijslastverdeling

Volgens de regels van de bewijslastverdeling (kort door de bocht gezegd: "wie eist, bewijst") kan men beter stellen dat de schade niet kan worden toegerekend aan de tekortkoming (artikel 6:98 BW) dan dat sprake is van eigen schuld (6:101 BW). Immers, als de gedaagde stelt dat er sprake is van eigen schuld van eiser zal die gedaagde die zich daarop beroept de hiermee verband houdende feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen. Voor wat betreft het betwisten van het causaal verband is het daarentegen in beginsel voldoende dat gedaagde het door eiser te stellen en te bewijzen causaal verband voldoende gemotiveerd betwist.

Slotwoord: was dit nodig?

Tot slot geldt dat mijns inziens deze hele gang naar de Hoge Raad uiteraard niet nodig zou zijn geweest indien de assurantietussenpersoon een iets actievere rol had gespeeld. Een bericht van een verzekeraar met een dergelijk verstrekkend gevolg, lees: verval dekking indien niet aan een bepaalde voorwaarde is voldaan, zal aanleiding moeten geven om zich ervan te vergewissen dat verzekerde zo spoedig mogelijk weet 1) aan welke voorwaarden hij dient te voldoen en 2) wat de consequenties zijn indien verzekerde nalaat aan deze voorwaarden te voldoen. Uit dit arrest blijkt dat T niet kon bewijzen dat hij verzekerde tijdig van het bovenstaande op de hoogte had gebracht. Toch was hij in dit geval niet aansprakelijk vanwege het ontbreken van causaal verband in de zin van art. 6:98 BW.