Op vrijdag 17 november 2017 heeft de Hoge Raad bevestigd dat het verpanden van onderhanden werk in de zorg in beginsel mogelijk is.

Dit arrest is voor (medisch specialistische) zorgaanbieders relevant. Zorgaanbieders declareren verleende zorg doormiddel van zogenaamde diagnosebehandelcombinaties (DBC’s). Een DBC is de totale (ziekenhuis) behandeling vanaf diagnose tot nacontrole. Na afronding van de behandeling of het verstrijken van de maximale looptijd van de DBC wordt de DBC gesloten. Pas dan mogen zorgaanbieders declareren, hetgeen voor zorgaanbieders een grote onderhanden werk (OHW) post (nog niet gedeclareerde zorg) oplevert. Dit systeem schept voor zorgaanbieders de noodzaak om OHW, waar nog geen factuur voor mag worden gestuurd, op andere wijze te financieren. In ruil voor financiering zal een kapitaalverstrekker zekerheid verlangen. In de praktijk doen zorgaanbieders dit door hun toekomstige vorderingen (vanwege geleverde zorg aan verzekerden) op zorgverzekeraars, het OHW, te verpanden aan hun financiers.

De vraag die voorlag bij de Hoge Raad is of OHW voor verpanding in aanmerking komt. Een pandrecht op een toekomstige vordering ontstaat pas bij het ontstaan van de vordering. Juridisch gezien is daarom relevant wat het ontstaansmoment is van een vordering (voor geleverde zorg) van een zorgaanbieder op een zorgverzekeraar. Grofweg zijn er drie momenten te onderscheiden waarop de vordering van de zorgaanbieder op de verzekeraar kan ontstaan: (i) bij het aangaan van de geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen zorgaanbieder en patiënt, (ii) bij het uitvoeren van een medische (deel)prestatie, of (iii) na het sluiten van de DBC vanwege afronding van de behandeling of het verstrijken van de maximale looptijd van de DBC (moment van facturatie).

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde eerder dat OHW van zorgaanbieders niet voor verpanding in aanmerking komt omdat de vordering van de zorgaanbieder op de verzekeraar pas ontstaat na het sluiten van de DBC vanwege afronding van de behandeling of het verstrijken van de maximale looptijd van de DBC (optie iii). Met deze uitspraak werd de financierbaarheid van zorgaanbieders beperkt: zonder vordering immers geen zekerheid voor de kapitaalverstrekker. Het arrest van de Hoge Raad maakt duidelijk dat de lezing van het Hof onjuist is: een vordering op de verzekeraar ontstaat zodra een medische (deel)prestatie is uitgevoerd (optie ii). Met dit arrest van de Hoge Raad is de weg voor het verpanden van onderhanden werk door zorgaanbieders dus weer vrij.