Met haar standpunt ten aanzien van het meten van temperaturen van werknemers, geeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) verduidelijking over de reikwijdte van haar toezicht. Deze nuancering houdt in dat, als er geen sprake is van verwerking van persoonsgegevens, de AVG niet geldt en de AP dus niet handhavend kan optreden.

Deze nuance is cruciaal te noemen, omdat de lijn van de AP eerder was dat de AP zich uitsprak over maatregelen van werkgevers in het algemeen, en niet slechts over maatregelen met betrekking tot prudente verwerking van persoonsgegevens. Het grondrecht op privacy is een groot goed en verdient bescherming maar – wanneer het geen geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens betreft – niet door de AP.

In de toepassing van het grondrecht op privacy toont zich daarbij een wezenlijk verschil met het algemene verbod van de AP op verwerking van gezondheidsgegevens door de werkgever. Grondrechten gelden nooit in absolute zin: er kunnen zich altijd omstandigheden voordoen die een beperking van een grondrecht rechtvaardigen. Rechten, plichten en belangen van de werkgever en andere werknemers mogen soms zwaarder wegen dan het belang van het individu. Het arbeidsrecht kent hiervoor een bestaand, passend en genuanceerd kader dat tot aan de hoogste rechter aan toe is en wordt getoetst.