Op 22 juli 2014 is de internetconsultatie betreffende het voorstel ‘Wet voorkomen misbruik Wob’ (hierna het “Wetsvoorstel“) van start gegaan.[1] Zoals uit de titel van het Wetsvoorstel blijkt, wil de wetgever met het Wetsvoorstel een einde maken aan het misbruik van de Wet Openbaarheid van Bestuur (hierna de “Wob“). Het Wetsvoorstel bepaalt onder meer dat een bestuursorgaan dat te laat op een Wob-verzoek reageert, niet langer een dwangsom kan verbeuren. Tot en met 19 augustus 2014 kunnen bestuursorganen, burgers, bedrijven en ook de rechterlijke macht een zienswijze geven op het Wetsvoorstel. Hierna wordt in vogelvlucht ingegaan op de achtergrond en de inhoud van het Wetsvoorstel. 

Achtergrond Wetsvoorstel

Aanleiding voor het Wetsvoorstel is het grootschalige misbruik van de ‘Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’ (hierna de “Wet dwangsom“) in relatie tot Wob-verzoeken. Het gaat bij dit misbruik om bewust onduidelijke of veelomvattende openbaarmakingsverzoeken op grond van de Wob, die worden ingediend in de hoop dat het bestuursorgaan niet tijdig op het verzoek beslist.[2] Op grond van de Wet dwangsom verbeurt een bestuursorgaan in dat geval namelijk een dwangsom aan de Wob-verzoeker.[3] De dwangsommen kunnen oplopen tot EUR 1260,- en vormen daarmee een verleidelijke bron van inkomsten voor kwaadwillende Wob-verzoekers.[4] Wob-verzoeken lenen zich bijzonder goed voor misbruik van de Wet dwangsom, omdat het Wob-verzoek laagdrempelig is. De Wob-verzoeker hoeft geen bijzonder belang te hebben (noch te stellen) bij zijn verzoek. Bovendien kan het Wob-verzoek zowel mondeling als schriftelijk worden gedaan en bedraagt de beslistermijn voor het bestuursorgaan in beginsel slechts vier weken.[5]Vanzelfsprekend vormt het misbruik van de Wet dwangsom niet alleen een aanslag op de publieke middelen, maar ook een onnodige belasting van het overheidsapparaat.

Het Wetsvoorstel komt niet als een verrassing. Op 2 juli 2012 is reeds een conceptwetsvoorstel, eveneens met het oog op het tegengaan van misbruik van de Wob  in consultatie gegeven (“Wet aanpassing Wob”).[6]Uit de memorie van toelichting bij het huidige Wetsvoorstel kan evenwel worden opgemaakt dat dit eerdere conceptwetsvoorstel uit 2012 niet meer verder in procedure zal worden gebracht.[7] In feite loopt het Wetsvoorstel gedeeltelijk vooruit op het reeds aanhangige wetsvoorstel ‘Wet open overheid’ (hierna de “Woo“), dat voorziet in een volledige herziening van de Wob.[8] De Woo bevat met de artikelen 8.3 en 8.4 twee bepalingen die gelijkluidend zijn aan het Wetsvoorstel. De wetgever heeft de inwerkingtreding van de Woo echter niet willen afwachten, teneinde het misbruik van de Wob snel een halt toe te kunnen roepen.[9]

Inhoud Wetsvoorstel

Het Wetsvoorstel voorziet in de introductie van twee nieuwe artikelen in de Wob, waarvan artikel 12b Wob het meest in het oog springt. Dit artikel bepaalt dat de Wet dwangsom[10] niet van toepassing is op beschikkingen die op grond van de Wob worden genomen. Daarmee is er niet langer financieel een voordeel te behalen met het indienen van een Wob-verzoek. Als gevolg hiervan zal het aantal onduidelijke en veelomvattende openbaarmakingsverzoeken – met als enig oogmerk de te verbeuren dwangsom – moeten afnemen. De keerzijde van artikel 12b Wob is dat de integere Wob-verzoeker een instrument wordt ontnomen waarmee het bestuursorgaan wordt gestimuleerd om tijdig te beslissen op zijn Wob-verzoek. Uiteraard blijft wel de mogelijkheid bestaan om beroep in te stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit, en het bestuursorgaan op die manier te dwingen om alsnog een besluit te nemen (artikel 8:55d Awb).

Het Wetsvoorstel voorziet naast artikel 12b Wob in een nieuw artikel 12a Wob. Met artikel 12a Wob wordt de toepassing van artikel 8:55d Awb gewijzigd. Als gevolg van artikel 12a lid 1 Wob krijgt de rechter de mogelijkheid om het bestuursorgaan een beslistermijn te gunnen die langer is dan de twee weken die artikel 8:55d Awb voorschrijft. Die twee weken bleken bij uitgebreide Wob-verzoeken te kort, als gevolg waarvan het bestuursorgaan alsnog een dwangsom verbeurde. Het tweede lid van artikel 12a Wob dient daarnaast als stimulans voor partijen om onderling tot overeenstemming te komen over de opschorting van de beslistermijn. Indien blijkt dat de Wob-verzoeker onvoldoende medewerking verleent om tot overeenstemming te komen verliest hij op grond van artikel 12a lid 2 Wob zijn recht op vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.

Afsluiting

Met het Wetvoorstel wordt beoogd het misbruik van de Wet Dwangsom via de Wob tegen te gaan. Tegelijkertijd zal de burger een pressiemiddel verliezen om het bestuursorgaan tijdig op haar Wob-verzoeken te laten beslissen. De toekomst moet uitwijzen of de openbaarheid van bestuur onder het Wetsvoorstel zal gaan lijden, of dat de vrijgekomen capaciteit bij bestuursorganen juist leidt tot een snellere afwikkeling van Wob-verzoeken.