1. In een beroemd arrest van 24 april 2009 herdefinieerde het Hof van Cassatie het opzetbegrip in de verzekering. Een feestganger reed in de vroege uurtjes opzettelijk door het rode licht, en de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen had (overigens geheel conform eerdere Cassatierechtspraak) geoordeeld dat het hierbij om een opzettelijke fout ging, vermits hij vrijwillig en bewust door het rode licht was gereden en dat rekening gehouden met de concrete feitelijke omstandigheden van de zaak, de schade ingevolge het negeren van het rode licht redelijkerwijze voorzienbaar was. Het Hof van Cassatie ging in 2009 niet (meer) akkoord met die interpretatie. Voortaan is het om van opzet te spreken dus niet meer voldoende dat de schade redelijkerwijze voorzienbaar was, maar moet de verzekerde vrijwillig en bewust schade hebben toegebracht, wat natuurlijk een heel zware bewijslast voor de verzekeraar inhoudt.

Over de laatste tien jaar heeft het Hof van Cassatie nog een aantal opvallende uitspraken gedaan over opzet en verzekering. Hieronder een bloemlezing.

2. Een verzekerde had voor zijn voertuig een ‘omnium’-verzekering afgesloten (burgerrechtelijke aansprakelijkheid, diefstal, materiële schade). Hij verzweeg daarbij dat hij het jaar voordien betrokken was geweest bij drie ongevallen. Kort nadat de verzekering in werking treedt, wordt de wagen gestolen. De verzekeraar beroept zich op de nietigheid van de verzekering wegens valse verklaring. Niet correct, zegt het Hof van Cassatie, want de onjuiste verklaring van de verzekerde, hoewel opzettelijk, heeft de verzekeraar niet kunnen misleiden omtrent de beoordeling van het betrokken risico, namelijk de dekking tegen diefstal. Wanneer verschillende risico’s worden verzekerd, is de nietigheid van de overeenkomst die het gevolg is van opzettelijk onjuiste mededeling of opzettelijk verzwijgen, beperkt tot de verzekering van de risico’s waaromtrent de verzekeraar is misleid (9 juni 2006).

3. Twee echtgenoten verzekeren hun mede-eigendom tegen brand. De echtgenoot wordt later veroordeeld voor brandstichting in dat goed. Zijn echtgenote, die niet betrokken was bij die brandstichting, eist van de verzekeraar de helft van de kosten voor de herstelling van het beschadigde gebouw. De verzekeraar weigert, zich steunend op het opzettelijke karakter van de fout, en de in de verzekeringsovereenkomst bedongen hoofdelijkheid en onsplitsbaarheid van de verzekeringnemers. Het Hof van Cassatie oordeelt dat het voordeel van de dekking enkel kan worden ontzegd aan diegene die een opzettelijke fout heeft begaan, en beslist dat elk contractueel beding waardoor de verzekeringswaarborg wordt ontzegd aan een andere verzekeringnemer dan diegene die de opzettelijke fout heeft begaan, verboden is (4 maart 2013).

4. In hetzelfde rijtje, maar dan in de overtreffende trap: een vrouw wordt veroordeeld wegens opzettelijke doodslag op haar man. Nu had het koppel, om hun huis te financieren, een hypothecaire lening gesloten, gedekt door een levensverzekering (op het hoofd van de man). De verzekeringsmaatschappij weigert na de moord tussen te komen, stellende dat, indien zij wel zou betalen, de lening zou worden afgelost en de echtgenote bevrijd van een schuld die ze wel nog zou hebben gehad indien ze haar man niet had vermoord. Een dergelijke oplossing was volgens de verzekeraar strijdig met het algemeen rechtsbeginsel 'Fraus omnia corrumpit'. Niet zo, zegt het Hof: hoewel de moordenares van de dekking van de levensverzekering vervallen moest worden verklaard, kon de lener van de dekking van die verzekering blijven genieten, zelfs als het gevolg hiervan was dat de echtgenote zou ontslagen zijn van haar verbintenis om het ontleende kapitaal terug te betalen. Niet bedrog of oneerlijkheid met de bedoeling schade te berokkenen aan de verzekeraar is de reden waarom de schuld van de echtgenote tenietgegaan is maar de wettelijke toepassing van de contractuele regels (3 maart 2011).

5. Een automobilist in staat van dronkenschap veroorzaakt een ongeval. Zijn verzekeraar weigert te vergoeden en beroept zich hiervoor op een bepaling uit de verzekeringspolis, luidens welke 'de maatschappij geen [...] schadegevallen verzekert die veroorzaakt worden door een bestuurder in een strafbare staat [...] van alcoholintoxicatie [...], tenzij de verzekerde aantoont dat er geen oorzakelijk verband tussen dit geval van zware schuld en het schadegeval bestaat'.Het Hof oordeelt dat een dergelijke contractuele omkering van de bewijslast niet kan: de verzekeraar is alleen dan niet verplicht om het schadegeval te dekken, wanneer hij het causaal verband bewijst tussen die fout en de schade (13 september 2010).

6. Valsheid in geschriften, onder andere door “toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen of vast te stellen”, is strafbaar. Doorgaans wordt geoordeeld dat de valse vermelding in een geschrift dat door de bestemmeling moet worden nagezien vooraleer hij de inhoud daarvan aanvaardt, geen strafbare valsheid in geschrifte oplevert. Dit is anders wanneer een controle door de bestemmeling van de in het geschrift voorkomende vermeldingen onmogelijk is – dan wordt het geschrift een zogenaamd “beschermd geschrift”.

Bij de aangifte van een ongeval bij de verzekeraar verklaart een moeder dat zij op het ogenblik van het ongeval de auto bestuurde terwijl in werkelijkheid haar dochter (die slechts een voorlopig rijbewijs had en de auto wegens de aanwezigheid van een andere passagier niet mocht besturen) achter het stuur zat. De feitenrechter oordeelde dat een onjuiste aangifte bij een verzekeraar in de regel geen strafbare valsheid in geschriften oplevert wanneer de verzekeraar de juistheid van de aangifte kan controleren. Het Hof van Cassatie oordeelt daar anders over: de aangifte van een schadegeval bij een verzekeraar kan in het maatschappelijk verkeer als bewijs gelden van de feiten die zij vaststelt en bijgevolg een beschermd geschrift uitmaakt, waarvan de onjuistheid valsheid in geschifte kan behelzen. Het Hof beklemtoont echter ook dat het feit dat de verzekeraar deze aangifte kan controleren, geen afbreuk doet aan het beschermde karakter van het geschrift (20 september 2005).

7. Bij wijze van uitsmijter geef ik nog mee dat het Hof in dezelfde periode ook oordeelde dat een kwitantie, ook al wordt ze getekend ter ‘minnelijke, forfaitaire en definitieve afrekening’, geen beletsel vormt voor een aanvullende eis tot vergoeding voor de posten die niet in de kwitantie vermeld staan - in casu vermeldde de kwitantie geen opsomming van posten – opletten dus! (19 april 2007). En voor wie de verwijzing naar het begrip “landverzekering” steeds bizar heeft gevonden: volgens het Hof heeft de wetgever, met de term “landverzekering”, de zee-, binnenvaart- en luchtverzekeringen willen uitsluiten. De verzekering van een plezierboot is noch een zee- noch een binnenvaartverzekering, en dus wél een landverzekering. Of hoe de begrippen ‘land’ en ‘binnenvaart’ een aparte betekenis kunnen krijgen als men ze aan juristen toevertrouwt (16 september 2011)!