Na de introductie van het bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste bleef één vraag boven de markt hangen. Dit was de vraag of dit relativiteitsvereiste ook zou moeten worden uitgerust met een correctie-Langemeijer-achtige correctie. Inmiddels heeft de Afdeling al weer enige tijd zo’n correctie aanvaard, op voorspraak van Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven. In de zogenoemde slijterijzaken heeft de Afdeling deze correctie-Widdershoven voor het eerst laten slagen.

Afgelopen maand verscheen in het NTB (2018/19) een bijdrage van mijn hand waarin ik de correctie-Widdershoven vergelijk met zijn privaatrechtelijke pendant: de correctie-Langemeijer bij de toets aan het privaatrechtelijk relativiteitsvereiste. Ook bespreek ik kritisch de toepassing van de correctie-Widdershoven door de Afdeling in de slijterijzaken.

Belangrijkste conclusie van mijn bijdrage is dat deze correctie een geen algemene correctie is op grond van een open norm van ongeschreven recht, zoals de correctie-Langemeijer. De correctie-Widdershoven is opgehangen aan twee specifieke bestuursrechtelijke beginselen: het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. In de rechtspraak van de Afdeling lost de correctie in feite zelfs geheel op in een toets aan de vereisten om een schending van deze beginselen aan te nemen. Hoewel de Afdeling de correctie-Widdershoven in de slijterijzaken soepel toepast – met een redenering in termen van het gelijkheidsbeginsel die mij niet kan overtuigen – is de actieradius van de correctie-Widdershoven al met al beperkt. De correctie-Widdershoven kan daarom ook maar een beperkte rol vervullen bij de harmonisatie van rechtspraak over het privaatrechtelijk en het bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste.