Op 1 januari 2014 treedt de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet Hof, Stb. 2013, 531) in werking. Daarnaast is op 17 december 2013 de Wet verplicht schatkistbankieren (Stb. 2013, 530) in werking getreden. Hierna zullen beide wetten kort worden beschreven.

Wet verplicht schatkistbankieren.

Deze wet heeft tot gevolg dat gemeenten, provincies, plusregio’s, waterschappen en door hen opgerichte gemeenschappelijke regelingen hun overtollige liquide middelen en beleggingen moeten aanhouden bij het Rijk. Deze middelen mogen niet langer worden uitgezet bij private partijen buiten de schatkist.

Het schatkistbankieren dient twee doelen. Ten eerste levert het een bijdrage aan de EMU-schuldverlaging. Daarnaast vermindert schatkistbankieren het financieel risico voor decentrale overheden.

De volledige wettekst is hier te lezen en alle Kamerstukken zijn hier te vinden.

Ten behoeve van de uitvoering van de Wet verplicht schatkistbanken zijn enkele regelingen vastgesteld, zoals de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden (Stcrt. 2013, 34041), de wijziging van het Waterschapsbesluit in verband met het invoeren van het verplicht schatkistbankieren (Stb. 2013, 456) en de Regeling tot wijziging van de Regeling beleidsvoorbereiding en verantwoording waterschappen in verband met het invoeren van het verplicht schatkistbankieren (Stcrt. 2013, 34708).

Wet HOf.

De Wet HOf voorziet in een wettelijk instrumentarium voor het bereiken en vasthouden van houdbare – of te wel gezonde – overheidsfinanciën. In de wet zijn regels opgenomen over de bijdrage die decentrale overheden moeten leveren aan het bereiken en vasthouden van houdbare overheidsfinanciën.

De wet heeft als uitgangspunt dat zowel het Rijk als decentrale overheden een gelijkwaardige inspanning moeten leveren bij het op orde brengen en houden van de overheidsfinanciën, maar met behoud van de autonomie van decentrale overheden. Met de Wet HOf gaat per jaar een macroplafond gelden voor het EMU-tekort van alle gemeenten samen. Als decentrale overheden deze afgesproken norm structureel overschrijden dan kan de Rijksoverheid maatregelen treffen. De hoogte van het macroplafond wordt jaarlijks op basis van bestuurlijk overleg vastgesteld. Voor gemeenten bedraagt dit plafond in 2014 0,32% van het Bruto Binnenlands Product. Het netto-financieringssaldo van alle gemeenten bij elkaar mag in een jaar niet boven dit plafond uitkomen.