Een complex punt bij het opnemen van een evenemententerrein in een bestemmingsplan is het verzekeren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden.
Een onderzoek naar de gevolgen van een evenemententerrein voor het woon- en leefklimaat dient te geschieden op basis van het gebruik dat representatief is voor de maximale planologische mogelijkheden. Indien uit dat onderzoek volgt dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat aanvaardbaar zijn, dan dienen de uitgangspunten van dat onderzoek te worden neergelegd in de planregels, waarbij wat evenementen betreft met name van belang is het aantal bezoekers per evenement, de aard van de evenementen en het aantal evenementen per jaar (zie o.a. ABRvS 16 februari 2011, TBR 2011/99, r.o. 2.6.3, LJN BP4728).

Zowel de opstelling van een dergelijke planregeling als de handhaving ervan is complex. Praktischer zou het zijn om, wat het geluidsaspect betreft, in planregels op te nemen dat op geluidsgevoelige bestemmingen de geluidsbelasting niet meer mag zijn dan een bepaalde waarde. Op die manier kan eenvoudig worden bewerkstelligd dat op die geluidsgevoelige bestemmingen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Tegen het opnemen van een dergelijke geluidsimmissienorm in een bestemmingsplan verzet zich het uitgangspunt van scheiding tussen ruimtelijke ordening en milieu. Kort gezegd verzet die scheiding zich ertegen dat gebruik of bouwwerkzaamheden direct worden getoetst aan een milieunorm, zoals een geluidsimmissienorm. Een dergelijke geluidimmissienorm heeft geen betrekking op het gebruik van gronden, is daarom niet ruimtelijk relevant zijn en strekt daarom niet tot de goede ruimtelijke ordening (zie bijvoorbeeld KB Hefshuizen (17 december 1987, AB 1988/388)).

In een al wat oudere uitspraak (ABRvS 18 juli 2012, LJN BX1876) lijkt de Afdeling geen waarde te hechten aan die scheiding tussen ruimtelijke ordening en milieu.
Aan de orde was het bestemmingsplan “Toegangspoort Oerlandschap Holtingerveld” van de gemeenteraad van Westerveld. Dit plan voorziet in een evenemententerrein. Een appellant vreest geluidsoverlast te ondervinden van de evenementen. De Afdeling bespreekt de planregeling. Die voorziet er onder meer in dat bij een te houden evenement bepaalde maximale geluidniveaus zijn toegestaan op de gevels van geluidgevoelige gebouwen (het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dag-, avond- en nachtperiode is onderscheidenlijk 50, 45 en 40 dB(A) en maximaal geluidniveau in deze periodes is onderscheidenlijk 70, 65 en 60 dB(A). Het is verboden de gronden aangewezen voor het evenemententerrein te gebruiken voor evenementen die niet voldoen aan de normen voor het maximaal toegestane geluidsniveau.
De Afdeling overweegt vervolgens dat nu het op grond van de planregels niet is toegestaan dat evenementen plaatsvinden die niet voldoen aan de daarin vermelde geluidnormen, de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant niet bevreesd hoeft te zijn voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van evenementen in het plangebied.

Deze aanpak maakt een praktische omgang met evenementen in een bestemmingsplan mogelijk.