Hieronder vindt u een selectie van hangende prejudiciële vragen, inclusief hyperlinks naar de site van het Hof van Justitie.

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 10 juli 2017 – Hera Comm Srl / Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato, Autorità per l’Energia Elettrica il Gas e il Sistema Idrico

Staan de ratio van de „algemene” richtlijn 2005/29/EG , te weten een vangnet vormen voor de bescherming van de consument, en inzonderheid overweging 10, artikel 3, lid 4, en artikel 5, lid 3, van deze richtlijn in de weg aan een nationale regeling die de beoordeling van de naleving van de specifieke verplichtingen als bedoeld in de sectorale richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG ter bescherming van de consument terugvoert tot de werkingssfeer van de algemene richtlijn 2005/29/EG inzake oneerlijke handelspraktijken, met als gevolg dat de sectorale autoriteit – in dit geval de AEEGSI – niet kan ingrijpen teneinde inbreuken op de sectorale richtlijn te bestraffen indien deze inbreuken tevens als oneerlijke handelspraktijk kunnen worden aangemerkt?

Moet het in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG neergelegde specialiteitsbeginsel worden opgevat als een beginsel dat de verhoudingen regelt tussen rechtsorden (algemene rechtsorde en sectorale rechtsorde), tussen normen (algemene normen en speciale normen) of tussen onafhankelijke regelgevende en toezichthoudende autoriteiten van de respectieve sectoren?

Is er slechts sprake van strijdigheid in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG in geval van een lijnrechte tegenstelling tussen de bepalingen van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken en de andere, uit Unierecht voortvloeiende regelingen die specifieke aspecten van de handelspraktijken regelen, of volstaat daartoe dat de betrokken bepalingen een regeling voorschrijven die afwijkt van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken, en wel zodanig dat er met betrekking tot een specifieke situatie sprake is van collisie?

Heeft het begrip communautaire voorschriften als bedoeld in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG uitsluitend betrekking op bepalingen van Europese verordeningen en richtlijnen en de directe omzettingsbepalingen daarvan, of omvat het ook de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij beginselen van Unierecht in nationaal recht zijn omgezet?

Staat het in overweging 10 en artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG, artikel 37 van richtlijn 2009/72/EG en artikel 41 van richtlijn 2009/73/EG neergelegde specialiteitsbeginsel in de weg aan een uitlegging van de overeenkomstige nationale omzettingsbepalingen volgens welke steeds wanneer er in een gereglementeerde sector met een sectorale consumentenregeling die regelgevende en sanctiebevoegdheden aan de sectorale autoriteit heeft toegekend, sprake is van een handelwijze die kan worden aangemerkt als agressieve praktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG dan wel als handelspraktijk die onder alle omstandigheden als agressief wordt beschouwd in de zin van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG, de algemene regeling inzake oneerlijke praktijken moet worden toegepast, ook indien er een op Unierecht gestoelde sectorale regeling ter bescherming van (dezelfde) consumenten is die dezelfde agressieve praktijken en onder alle omstandigheden als agressief te beschouwen handelspraktijken, althans oneerlijke handelspraktijken, volledig regelt?

PB.2017, C338, blz.8

Zie ook zaken: C-408/17Enel Energia SpA v Autorità Garante della Concorrenza ed del Mercato and Others C-407/17 Green Network SpA/Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato e.a. C-406/17 ACEA Energia SpA/Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato e.a.

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social nº 2 de Terrassa (Spanje) op 14 juli 2017 – Elena Barba Giménez / Francisca Carrión Lozano

Moet richtlijn 93/13/EEG junctis richtlijn 2005/29/EG en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 35 van Ley 1/2000, de Enjuiciamiento Civil, op grond waarvan de organen die de procedure inzake honorariavorderingen („jura de cuentas”-procedure) behandelen, voordat zij een executoriale titel afgeven niet ambtshalve mogen nagaan of de overeenkomst tussen een advocaat en een consument oneerlijke bedingen bevat, noch of er sprake is van oneerlijke handelspraktijken?

Moet een toegevoegde advocaat worden beschouwd als een „verkoper” of een „handelaar” in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 en artikel 2, onder b), van richtlijn 2005/29? Zijn artikel 6, lid 1, onder d), en artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/29 van toepassing op de situatie waarin de tarieven van een beroepsbeoefenaar zijn geregeld middels een wettelijke bepaling?

Indien de vorige vraag bevestigend moet worden beantwoord, moet richtlijn 2005/29/EG dan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling als die van artikel 36 van Ley 1/1996, de Justicia Gratuita, waarin de toepassing van het wettelijk geregelde tariefstelsel verplicht is gesteld, ook al maakt de ondernemer zich schuldig aan misleidende handelingen of omissies met betrekking tot de vaststelling van de prijs voor zijn dienstverrichting?

Moet artikel 101 VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling als die van artikel 36 van Ley 1/1996, op grond waarvan advocaten die diensten verlenen binnen het systeem van de kosteloze rechtsbijstand, wanneer de vordering wordt toegewezen, worden vergoed volgens een tariefstelsel dat eerder door diezelfde advocaten is vastgesteld, zonder dat de autoriteiten van de lidstaat daarvan kunnen afwijken?

Voldoet deze regeling aan de in artikel 15, lid 3, van richtlijn 2006/123 neergelegde eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid?

Moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling als die van artikel 36 van Ley 1/1996, die begunstigden van kosteloze rechtsbijstand, in geval van toewijzing van hun vordering zonder een veroordeling in de proceskosten, verplicht om de advocaat een honorarium te betalen overeenkomstig een tarief dat door een beroepsvereniging is vastgesteld en dat meer dan 50 % bedraagt van het jaarbedrag van een socialezekerheidsuitkering?

PB.2017, C300, blz.26-27

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van beroep te Antwerpen (België) op 30 juni 2017 – Openbaar Ministerie tegen Freddy Lucien Magdalena Kirschstein, Thierry Frans Adeline Kirschstein

Moet de richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de bepaling in artikel II.75 paragraaf 6 Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 die op algemene wijze een verbod oplegt aan niet-erkende onderwijsinstellingen om gebruik te maken van de benaming „master” op de diploma’s die zij uitreiken, wanneer deze bepaling beoogt te waken over een reden van algemeen belang, zijnde de noodzaak om een hoog niveau van onderwijs te waarborgen waarbij gecontroleerd moet kunnen worden of effectief aan de vooropgestelde kwaliteitseisen voldaan is?

Moet de richtlijn 2006/123/EG van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de bepaling in artikel II.75 paragraaf 6 Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, die op algemene wijze een verbod oplegt aan niet-erkende onderwijsinstellingen om gebruik te maken van de benaming „master” op de diploma’s die zij uitreiken, wanneer deze bepaling beoogt te waken over een reden van algemeen belang, zijnde de bescherming van afnemers van diensten?

Doorstaat de strafbepaling voor de door de Vlaamse overheid niet-erkende onderwijsinstellingen die „master”-diploma’s uitreiken de evenredigheidstoets van artikel 9.1, sub c) en 10.2, sub c) van de richtlijn 2006/123/EG [...]?

PB.2017, C300, blz.19

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia de Cartagena (Spanje) op 3 maart 2017

  1. Moet artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals de vigerende Spaanse hypothecaire executieregeling (artikelen 695 en volgende juncto artikel 552, lid 1, van de wet op de burgerlijke rechtsvordering), waarin geen rechterlijke toetsing van oneerlijke handelspraktijken plaatsvindt, noch ambtshalve noch op verzoek van een partij, aangezien deze regeling de toetsing van overeenkomsten en akten waarbij mogelijkerwijs sprake is van oneerlijke handelspraktijken, bemoeilijkt of onmogelijk maakt?
  2. Moet artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals de Spaanse regeling waarbij niet is gewaarborgd dat de betreffende gedragscode daadwerkelijk wordt nageleefd indien de executerende partij besluit zich daar niet aan te houden (artikelen 5 en 6 juncto artikel 15 van koninklijk wetsbesluit 6/2012 van 9 maart 2012)?
  3. Moet artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de Spaanse regeling waarbij de consument bij een hypothecaire executie niet kan verzoeken om naleving van de betreffende gedragscode, met name wat „datio in solutum” en het tenietgaan van de vordering betreft (artikel 3 van de gedragscode die als bijlage is gehecht aan koninklijk wetsbesluit 6/2012 van 9 maart 2012)?

PB.2017, C161, blz.13

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Administrativen Sad - Varna (Bulgarije) op 28 februari 2017 – Komisia za zashtita na potrebitelite / Evelina Kamenova

Moet artikel 2, onder b) en onder d), van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken, aldus worden uitgelegd dat de activiteiten van een natuurlijke persoon die bij een website voor de verkoop van goederen is geregistreerd en op die website tegelijkertijd in totaal acht advertenties voor de verkoop van verschillende goederen heeft geplaatst, activiteiten van een handelaar in de zin van de wettelijke definitie van artikel 2, onder b), zijn[,] handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten in de zin van artikel 2, onder d), vormen, en overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen?

PB.2017, C144, blz.32

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 1 februari 2017 – Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato/Vodafone Omnitel NV

Staan de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 in de weg aan een uitlegging van de overeenkomstige nationale omzettingsbepalingen (respectievelijk de artikelen 24 en 25 van de Codice del consumo [wetboek consumentenrecht]) volgens welke de handelwijze van een telecommunicatie-exploitant die geen informatie heeft verstrekt over het feit dat bepaalde telefoondiensten reeds op de simkaart zijn ingesteld (te weten voicemail of internetgebruik) – en wel in een situatie waarin de telecommunicatie-exploitant geen enkele andere, afzonderlijke inhoudelijke handelwijze wordt verweten – kan wordt aangemerkt als ongepaste beïnvloeding en dus als agressieve handelspraktijk die de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument aanzienlijk kan beperken?

Kan punt 29 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG [...] aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een „niet-gevraagde levering” indien een telecommunicatie-exploitant zijn klant verzoekt voicemail- en internetdiensten te betalen, en wel in een situatie die wordt gekenmerkt door de volgende omstandigheden:

  • de telecommunicatie-exploitant heeft de consument bij de afsluiting van de overeenkomst voor mobiele telefonie niet correct geïnformeerd over de omstandigheid dat de voicemail- en internetdiensten reeds op de simkaart zijn ingesteld, met als gevolg dat de consument deze diensten zou kunnen gebruiken zonder dat zij speciaal hoeven te worden ingesteld (setting);
  • de consument moet om deze diensten daadwerkelijk te gebruiken hoe dan ook de daartoe noodzakelijke handelingen verrichten (bijvoorbeeld, het nummer van de voicemail intoetsen of opdrachten geven om toegang tot internet te krijgen);
  • voor de technische en operationele modaliteiten waarmee de consument concreet van de diensten gebruikmaakt wordt niets in rekening gebracht, en evenmin voor de informatie over deze modaliteiten en de kosten van deze diensten, maar de exploitant wordt uitsluitend verweten geen informatie te hebben verstrekt over de vooraf op de simkaart geïnstalleerde diensten?

Staan de ratio van de „algemene” richtlijn 2005/29/EG, als vangnet voor de bescherming van de consument, alsmede overweging 10 en artikel 3, lid 4, van deze richtlijn in de weg aan een nationale regeling die de beoordeling van de naleving van de specifieke verplichtingen als bedoeld in de sectorale richtlijn 2002/22/EG ter bescherming van de consument terugvoert tot de werkingssfeer van de algemene richtlijn 2005/29/EG inzake oneerlijke handelspraktijken, met als gevolg dat de autoriteit die bevoegd is om inbreuken op de sectorale richtlijn te sanctioneren niet kan ingrijpen indien deze inbreuk tevens als een oneerlijke handelspraktijk kan worden aangemerkt?

Moet het in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG neergelegde specialiteitsbeginsel worden opgevat als een beginsel dat de verhoudingen regelt tussen rechtsorden (algemene rechtsorde en sectorale rechtsorde), tussen normen (algemene normen en speciale normen) of tussen regelgevende en toezichthoudende autoriteiten van de respectieve sectoren?

Is er slechts sprake van strijdigheid in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG in geval van een lijnrechte tegenstelling tussen de bepalingen van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken en de andere, uit Unierecht voortvloeiende regelingen die sectorspecifieke aspecten van de handelspraktijken regelen, of volstaat daartoe dat de betrokken bepalingen een regeling voorschrijven die afwijkt van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken met betrekking tot sectorspecifieke aspecten, en wel zodanig dat er met betrekking tot een specifieke situatie sprake is van collisie?

Heeft het begrip communautaire voorschriften als bedoeld in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG uitsluitend betrekking op bepalingen van Europese verordeningen en richtlijnen en de directe omzettingsbepalingen daarvan, of omvat het ook de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij beginselen van Unierecht in nationaal recht zijn omgezet?

Staat het in overweging 10 en artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG, de artikelen 20 en 21 van richtlijn 2002/22/EG en de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2002/21/EG neergelegde specialiteitsbeginsel in de weg aan een uitlegging van de overeenkomstige nationale omzettingsbepalingen volgens welke steeds wanneer er in een gereglementeerde sector met een sectorale consumentenregeling die regelgevende en sanctiebevoegdheden aan de sectorale autoriteit heeft toegekend, sprake is van een handelwijze die kan worden aangemerkt als agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG dan wel als handelspraktijk die onder alle omstandigheden als agressief wordt beschouwd in de zin van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG, de algemene regeling inzake oneerlijke praktijken moet worden toegepast, ook indien er een op Unierecht gestoelde sectorale regeling ter bescherming van consumenten is die dezelfde agressieve praktijken en onder alle omstandigheden als agressief te beschouwen handelspraktijken, althans oneerlijke handelspraktijken, volledig regelt?

PB.2017, C239, blz.21

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank van koophandel te Antwerpen (België) op 7 december 2016 – Dyson Ltd, Dyson BV tegen BSH Home Appliances NV

  1. Kan het strikt naleven van de Stofzuigerverordening (zonder aanvulling van het etiket zoals gedefinieerd in Bijlage II ervan met informatie omtrent de testomstandigheden die hebben geleld tot de Indeling in een energie-efficiëntieklasse volgens Bijlage I) worden beschouwd als een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van de richtlijn oneerlijke marktpraktijken?
  2. Verzet de Stofzuigerverordening zich tegen de aanvulling van dit etiket met andere symbolen die dezelfde informatie meedelen?

PB.2017, C78, blz.10