Anders dan in oude systeem zijn partijen minder vrij om afspraken te maken over de betalingstermijn. 

Al enkele jaren geldt dat de schuldeiser de wettelijke handelsrente over het openstaande bedrag verschuldigd is wanneer hij een rekening te laat betaalt. Ondanks de hoge (samengestelde) rente hebben vennootschappen en overheden in de praktijk nog steeds veel moeite om op tijd te betalen. Dit lakse betalingsgedrag frustreert – zeker in crisistijd – het Europese en Nederlandse handelsverkeer. Betalingsachterstanden hebben gevolgen voor het concurrentievermogen, de liquiditeit en de winstgevendheid van ondernemingen. Half maart van dit jaar is een nieuwe wet ingevoerd om deze betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan en het betalingsverkeer te bevorderen. Naar onze mening leidt de nieuwe wettelijke regeling echter tot rechtsonzekerheid.

De nieuwe wet legt de betalingstermijnen voor transacties tussen bedrijven en overheden en bedrijven onderling vast. Als er niet iets anders is afgesproken geldt een betalingstermijn van 30 dagen. Daarnaast wordt er een extra vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ingevoerd en wordt de wettelijke handelsrente verhoogd. Afwijken van de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen is mogelijk.

Overheden kunnen maximaal een betalingstermijn van 60 dagen afspreken, mits dit in de overeenkomst staat en de bijzondere aard of eigenschappen van de overeenkomst dit objectief rechtvaardigen. Bedrijven hebben meer mogelijkheden. Zij zijn vrij om een termijn tot maximaal 60 dagen af te spreken. Betalingstermijnen boven de 60 dagen mogen alleen als deze in een overeenkomst staan en de desbetreffende termijn niet kennelijk onbillijk is.

De minister heeft aangegeven dat een langere betalingstermijn in beginsel kennelijk onbillijk is tegenover de schuldeiser, tenzij de schuldenaar bewijst dat de termijn gerechtvaardigd is. Dat een schuldenaar een langere betalingstermijn wil omdat dit hem extra liquiditeit verschaft is overigens een onvoldoende reden.

Voorgaand systeem bestond voor half maart niet. Partijen waren vrij om afspraken te maken over de betalingstermijn. Een rechter kon een overeengekomen betalingstermijn alleen buiten toepassing laten als de termijn in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Met de invoering van de toets ‘kennelijke onbillijkheid’ kan het gebeuren dat je als schuldenaar moet bewijzen dat de eerder gemaakte betalingsafspraak gerechtvaardigd is. Hierdoor neemt de rechtsonzekerheid toe. Een partij heeft, ook als zij eerst een afspraak heeft gemaakt over de betalingstermijn, via een beroep op het ‘kennelijk onbillijk’ zijn, meer mogelijkheden om onder de gemaakte afspraken uit te komen. Dit lijkt ons niet wenselijk, gezien ook de gedachte van de wetgever om een soepel betalingsverkeer te bevorderen.