Het is voor een bestuursorgaan van het grootste belang om zijn taak zonder vooringenomenheid te vervullen. Met enige regelmaat worden in de gemeenteraad echter kwesties behandeld waarbij een lid van de raad een eigen belang heeft. In dat geval kan niet geheel worden uitgesloten dat die belangen de besluitvorming door de raad beïnvloeden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft recentelijk uitspraak gedaan in een tweetal kwesties waarin (de schijn van) vooringenomenheid aan de orde kwam (LJN: BZ0796 en BZ4957).

Een bestuursorgaan dient ertegen te waken dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Met een persoonlijk belang wordt volgens de Afdeling bestuursrechtspraak ieder belang bedoeld, dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen.

Indien een lid van de raad een persoonlijk belang heeft bij een besluit, is er sprake van een botsing tussen fundamentele rechten. Enerzijds heeft de burger er recht op dat besluiten worden genomen zonder aanzien des persoons, zodat bestuursorganen zich objectief moeten opstellen. Anderzijds is een lid van de raad een gekozen volksvertegenwoordiger, en zou uitsluiting van besluitvorming zich slecht verdragen met het democratisch proces.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat er bijkomende omstandigheden kunnen zijn die maken dat een raadslid niet behoort deel te nemen aan de besluitvorming, maar de gemeenteraad kan niet verhinderen dat een raadslid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen. Deelname van een lid kan echter, in het geval een persoonlijk belang aanwezig is, leiden tot het rechterlijk oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid. Hiervoor moet aannemelijk zijn dat het betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed. Daarmee houden deze uitspraken een versoepeling in van eerdere rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, waardoor minder snel aanleiding bestaat voor het oordeel dat de besluitvorming is beïnvloed door een persoonlijk belang van een raadslid.

De Afdeling bestuursrechtspraak neemt deze daadwerkelijke beïnvloeding in voornoemde zaken niet aan, ondanks het gegeven dat de besluiten met de kleinst mogelijke meerderheid zijn genomen. In het kader van ‘voorkomen is beter dan genezen’ lijkt het echter beter als raadsleden uit eigen beweging afzien van deelname aan de raadsvergadering en stemming, indien een persoonlijk belang bij het besluit is betrokken.