De Omgevingswet heeft als uitgangspunt dat decentrale overheden hun regels over de fysieke leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Daarmee wordt de inzichtelijkheid, samenhang en naleving van de regelgeving bevorderd volgens de wetgever. Provincies leggen hun fysieke leefregels vast in een zogeheten omgevingsverordening. Hierna zal op hoofdlijnen worden ingegaan op de vraag wat een omgevingsverordening beoogt te regelen, welke procedure daarvoor geldt én wat de rechtsbeschermingsmogelijkheden zijn.

Wat beoogt omgevingsverordening te regelen?

De Omgevingswet introduceert voor provincies de omgevingsverordening. De omgevingsverordening is niet gedefinieerd in de (bijlage van de) Omgevingswet. In een omgevingsverordening worden regels vastgelegd over de fysieke leefomgeving (artikel 2.6 Omgevingswet). Provinciale staten stellen één en dus niet meerdere verordeningen vast. Daarmee beoogt de Omgevingswet een einde te maken aan verschillende verordeningen die er thans op provinciaal niveau zijn (MvT, blz. 88).

In deze verordening brengt de provincie haar regels voor de fysieke leefomgeving bijeen in één gebiedsdekkende regeling (MvT, blz. 52). De wetgever beoogt daarmee de inzichtelijkheid, samenhang en de naleving van regelgeving te vergroten. Hoe precies zal worden toegewerkt naar een streefbeeld van één gebiedsdekkende omgevingsverordening, zal (in het voorstel voor) de Invoeringswet Omgevingswet worden uitgewerkt.

De omgevingsverordening heeft drie soorten regels (MvT, blz. 94):

  1. algemeen direct bindende regels;
  2. omgevingswaarden en
  3. instructieregels.

Dit wordt hierna verder toegelicht. In de eerste plaats omvat de omgevingsverordening regels die gericht zijn tot burgers en bedrijven. Het gaat dan om algemene regels en vergunningstelsels. De grondslag voor het stellen van algemene en direct bindende regels voor burgers is geregeld in afdeling 4.1 van de Omgevingswet.

In de tweede plaats heeft een omgevingsverordening regels die gericht zijn tot het uitvoerend bestuur, zoals omgevingswaarden (artikel 2.12, eerste lid, Omgevingswet). Omgevingswaarden zijn normen die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan als beleidsdoel vastleggen (MvT, blz. 95). Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan maximaal toelaatbare concentraties van stoffen in water en lucht (MvT, blz. 95). Als een omgevingswaarde die door de provincie is vastgesteld ook moet gaan gelden voor gemeenten dan zal doorwerking door middel van instructieregels of beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen vorm moeten krijgen.

In de derde plaats kent een omgevingsverordening zogeheten instructieregels omtrent de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen (afdeling 2.5 Omgevingswet). Instructieregels zijn volgens de wetgever te kenmerken als algemeen verbindende voorschriften die zich tot bij die regel aangewezen bestuursorganen richten (MvT, blz. 104). Deze instructieregels richten zich dus niet rechtstreeks tot burgers en bedrijven. Instructieregels zien op de inhoud, toelichting of motivering van een besluit dat een bestuursorgaan neemt. Ook kunnen instructieregels worden gesteld over de uitoefening van een taak die in de Omgevingswet aan een bestuursorgaan is toegedeeld. De besluiten en taken waarover instructieregels kunnen worden gegeven, zijn in de Omgevingswet limitatief benoemd (artikel 2.23 Omgevingswet).

Welke procedure wordt gevolgd om te komen tot vaststelling van een omgevingsverordening?

Omgevingsverordeningen worden voorbereid met behulp van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in de Awb (artikel 16.30 Omgevingswet). In de Omgevingswet is geëxpliciteerd dat een ieder (en dus niet alleen belanghebbenden) zienswijzen tegen een ontwerp omgevingsverordening kenbaar kan maken (artikel 16.22 Omgevingswet).

Staat er rechtsbescherming open tegen een omgevingsverordening?

Tegen een omgevingsverordening staat in beginsel geen rechtsbescherming open. Dat betekent dat verordeningen niet voor beroep vatbaar zijn bij de bestuursrechter. Dit volgt uit artikel 8:3 Awb dat bepaalt dat geen beroep openstaat tegen een besluit die algemeen verbindende voorschriften inhouden.

Dit is anders als een omgevingsverordening een aanwijzing van een ‘beperkingengebied’ (bijvoorbeeld nabij een luchthaven of wegen) omvat. Dit zijn regels die tot beperking van het gebruik in een bepaald gebied leiden. Tegen zo’n aanwijzing staat wel rechtsbescherming in twee instanties open (MvT, blz. 299).