Gisteren, 1 juli 2014, is de 'beperkte veredelingsvrijstelling' (opgenomen in de Rijksoctrooiwet 1995) in werking getreden. Voor kwekers/veredelaars is dit een belangrijke ontwikkeling. Hieronder wordt uiteengezet wat deze wetswijziging inhoudt en wat de consequenties zijn voor plantenveredelaars en octrooihouders.

Octrooirecht versus Kwekersrecht

Op de achtergrond speelt een discussie over de samenloop van het kwekersrecht en het octrooirecht op het gebied van de bescherming van planten. De (traditionele) kwekers zijn van mening dat het kwekersrecht het enige toepasselijke beschermingsregime moet zijn voor planten. In het kwekersrecht is van oudsher een belangenafweging gemaakt tussen de kwekersrechthebbende en de (overige) kwekers/veredelaars. Zodra het kwekersrecht wordt toegekend mag het beschermde plantenras niet zonder toestemming van de rechthebbende door anderen worden geëxploiteerd. Om ontwikkeling van nieuwe soorten plantenrassen te stimuleren, is een uitzondering gemaakt op het kwekersrecht: de veredelingsvrijstelling. In principe is het toegestaan met behulp van plantmateriaal van een reeds beschermd plantenras, een nieuw ras te ontwikkelen én deze te exploiteren. Het gebruik van beschermde rassen voor veredelingsdoeleinden valt dus in principe niet onder de werking van het kwekersrecht. Het octrooirecht bevat niet een dergelijke uitzondering. Het enkele bedrijfsmatige gebruik van een geoctrooieerd product of geoctrooieerde werkwijze zonder toestemming van de octrooihouder levert inbreuk op.

Richtlijn biotechnologie

Hoewel aanvankelijk met name kwekersrecht van toepassing was op (bescherming van) planten, is gaandeweg de invloed van het octrooirecht toegenomen. Dit komt mede door de opkomst van de biotechnologie en introductie van genetische modificatie in de jaren 70-90. In 1998 is de Biotechnologierichtlijn (98/44/EG) aangenomen. Het is in principe mogelijk octrooibescherming te verkrijgen voor planten en voortbrengsels (biologisch materiaal), planteneigenschappen en moleculaire veredelingstechnieken. Octrooien worden in principe niet verleend voor werkwijzen van "wezenlijk biologische aard voor voortbrenging van planten", zoals methoden van kruisen en selecteren of voor plantenrassen (art. 53b Europees Octrooiverdrag).

De richtlijn biotechnologie heeft het onderscheid dat daarvoor werd gemaakt (het octrooirecht ziet grof gezegd op techniek en het kwekersrecht op plantaardig materiaal) enigszins verstoord, door het mogelijk te maken een octrooi aan te vragen op biologisch materiaal (genen) zolang dat niet is beperkt tot een bepaald ras en indien er enig technisch ingrijpen in het biologische materiaal (genetische manipulatie) bij komt kijken. Bijvoorbeeld: de octrooihouder heeft een octrooi op een genetisch gemanipuleerd gen dat is ingebracht in een tomatenplant en resistentie veroorzaakt tegen een bepaalde ziekte.

Nu ook het octrooirecht van toepassing werd op de planten(veredeling) ontstond discussie over het ontbreken van een kwekersvrijstelling in het octrooirecht. Dit had immers tot gevolg dat geoctrooieerd plantmateriaal zonder toestemming van de octrooihouder niet gebruikt kon worden voor het kweken van andere rassen, terwijl andersom de 'biotech'-industrie wel zonder tegenprestatie kwekersrecht beschermd materiaal kon benutten voor bijvoorbeeld het genetisch modificeren van dat materiaal. Een stortvloed aan rapporten, vanuit overheidsinstellingen en overige belanghebbenden zijn inmiddels verschenen die betrekking hebben op dit discussiepunt.

Beperkte veredelingsvrijstelling

De Nederlandse regering heeft bovenstaande problematiek voor de plantenveredelaars - gedeeltelijk - opgelost door het opnemen van een beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet 1995. Dankzij deze vrijstelling heeft een plantenveredelaar vanaf 1 juli van dit jaar geen toestemming meer nodig van een octrooihouder om geoctrooieerd biologisch materiaal te gebruiken voor het kweken of ontdekken en ontwikkelen van nieuwe plantenrassen. Het biologisch materiaal mag daarbij niet alleen gebruikt worden voor onderzoek van het geoctrooieerde materiaal, maar ook voor onderzoek en ontwikkeling methet geoctrooieerde materiaal mits dit voor plantenveredelingsdoeleinden geschiedt. Deze vrijstelling kent wel beperkingen. Het is niet mogelijk voor de plantenveredelaar om de daarmee gecreëerde nieuwe plantenrassen commercieel te exploiteren zonder toestemming van de octrooihouder. In dat geval moet hij met de octrooihouder in onderhandeling om een licentie te krijgen om het ras commercieel te exploiteren. De kweker kan ook de afweging maken om te wachten totdat het octrooi is verlopen (de beschermingsduur van een octrooi is maximaal 20 jaar).

Tenslotte

Mogelijk is de invoering van een beperkte veredelingsvrijstelling (slechts) een tussenstap in komende ontwikkelingen. De Nederlandse regering (Staatssecretaris Dijksma) is van mening dat, zodra het juridisch mogelijk is, een uitgebreide veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet 1995 moet worden opgenomen. Bij een uitgebreide veredelingsvrijstelling is het wel mogelijk om de resultaten van de veredeling zonder licentie van de octrooihouder commercieel te exploiteren. De Nederlandse regering beseft zich echter dat op grond van internationale en Europese regelingen het op dit moment niet mogelijk is om een uitgebreide veredelingsvrijstelling op te nemen. Vanuit de Nederlandse branchesector van veredelingsbedrijven heeft inmiddels een Stuurgroep Gedragscode Licenties een model ontwikkeld dat beoogt dat alle groenteveredelingsbedrijven snel en tegen acceptabele voorwaarden toegang krijgen tot biologisch materiaal dat beschermd is door een octrooi. Dit gebeurt via een "International Licensing Platform". Diverse veredelingsbedrijven met octrooirechten hebben dit al verder uitgebreid door een e-licensing platform aan te bieden waar groenteveredelingsbedrijven op eenvoudige en (kosten)efficiënte wijze toegang tot licenties voor onderzoek, veredeling en verkoop kunnen krijgen.