Om gevolg te geven aan de ruimere opdracht en de grotere verantwoordelijkheid van de vroedvrouw, alsook om te voldoen aan de criteria van de Richtlijn 2005/36/EG en de definitie van het beroep van vroedvrouw, zoals bepaald door de Wereldgezondheidsorganisatie, werd het wettelijk kader voor de uitoefening van het beroep van vroedvrouw aangepast door de Wet van 13 december 2006 en het KB van 8 juni 2007. 

De Wet van 13 december 2006 breidt de bevoegdheden van de vroedvrouw o.m. uit met het voorschrijven van bepaalde geneesmiddelen volgens de modaliteiten en kwalificatiecriteria bepaald door de Koning. Zeven jaar na de wet verschenen deze uitvoeringsvoorwaarden in het Belgisch Staatsblad van 14 januari 2014 (twee KB’s van 15 december 2013).

Voortaan kunnen vroedvrouwen bij de opvolging van een normale zwangerschap, de praktijk van een normale bevalling en de zorg van een gezonde pasgeborene binnen en buiten het ziekenhuis, een aantal geneesmiddelen voorschrijven, die zijn opgenomen in de door de Federale Raad voor de Vroedvrouwen opgestelde lijst. Hiertoe dient de vroedvrouw geslaagd te zijn voor de opleidingsonderdelen: algemene farmacologie, specifieke farmacologie, teratologie en toxicologie. De vroedvrouwen, die afstuderen na 1 oktober 2014, zullen de nodige competenties reeds hebben verworven tijdens hun basisopleiding. Voor de vroedvrouwen, die hun beroepstitel vóór 1 oktober 2014 hebben behaald, is een bijkomende opleiding van minimum 30 effectieve uren over gespecialiseerde toegepaste farmacologie vereist.