Verordening 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, beter bekend als de ‘Brussel I-Verordening’ of de ‘EEX-Verordening’, is herzien. De gewijzigde Verordening 1215/2012 is op 12 december 2012 goedgekeurd door de Raad van de EU.

Met de herziening van de Brussel I-Verordening wil de EU gerechtelijke beslissingen binnen de EU sneller en eenvoudiger laten erkennen.

De belangrijkste wijziging is dat de exequaturprocedure wordt afgeschaft. De exequaturprocedure is de voorafgaande verplichte procedure waarbij de uitvoerbaarheid van een gerechtelijke beslissing in een andere lidstaat wordt aangevraagd. Die exequaturprocedure brengt onnodige kosten en vertragingen met zich mee en verhindert dat burgers en bedrijven volledig de mogelijkheden van de interne markt benutten.

Om die redenen wordt de exequaturprocedure afgeschaft, behalve voor zover het gaat om beslissingen in smaadzaken en in procedures betreffende het collectief verhalen van schade (beter bekend in het Engels als class actions). De afschaffing van de exequaturprocedure gaat ook gepaard met procedurele waarborgen die de rechten van verweerders op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten moeten garanderen. Dat betekent concreet dat verweerders het recht hebben om de weigering van de uitvoering van de beslissing aan te vragen.

Een tweede belangrijke wijziging is dat er meer consumentenbescherming komt bij juridische geschillen waarbij niet-EU landen zijn betrokken. De jurisdictieregels worden immers uitgebreid naar verweerders buiten de EU. Dit heeft tot gevolg dat consumenten gemakkelijker binnen de EU een procedure kunnen starten tegen verweerders uit derde landen aangezien de bevoegdheidsregels ter bescherming van de consumenten, werknemers en verzekerden ook van toepassing zullen zijn wanneer de verweerder woonplaats heeft buiten de EU.

De doeltreffendheid van overeenkomsten of bedingen met een forumkeuze zal ook worden verbeterd. Indien partijen in een overeenkomst een bepaalde rechtbank hebben aangewezen die bevoegd is in geval van geschillen, zal die aangewezen rechtbank als eerste beslissen of zij bevoegd is en of de overeenkomst geldig is. Andere gerechten zijn verplicht de procedure aan te houden, ook al werden zij vóór de aangewezen rechtbank aangezocht. Op die manier wordt in de toekomst voorkomen dat men procedures start bij niet-bevoegde rechtbanken om de geschillenbeslechting te vertragen.

Verder kunnen onder het huidige systeem enkel partijen van wie er ten minste één zijn woonplaats heeft in een lidstaat, overeenkomen dat een gerecht van een bepaalde lidstaat bevoegd is. In de nieuwe Verordening wordt die voorwaarde niet meer gesteld. Met andere woorden, vanaf de inwerkingtreding van de herziene Verordening zullen bijvoorbeeld een Chinese en een Zuid-Afrikaanse partij een gerecht van een EU-lidstaat kunnen aanwijzen voor de beslechting van hun eventuele geschillen.

Ten slotte kan een gerecht van een lidstaat vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe Verordening een beslissing aanhouden indien het verwacht dat een gerecht van een niet-EU land een beslissing zal vellen die kan worden erkend en uitgevoerd in die lidstaat, en het gerecht ervan overtuigd is dat de aanhouding nodig is voor een goede rechtsbedeling. Met andere woorden, een Belgische rechtbank zou haar beslissing kunnen uitstellen totdat een Amerikaanse rechtbank een beslissing heeft geveld, indien die Belgische rechtbank verwacht dat de Amerikaanse beslissing relevant is en in België zal worden uitgevoerd.

Arbitrage valt nog steeds buiten het toepassingsgebied van de Verordening. De Europese Commissie wilde de wisselwerking tussen procedures bij de rechter en arbitrage verbeteren, maar stootte daarbij op veel weerstand. Er werd geoordeeld dat de regels van het Verdrag van New York van 1958 volstonden.

De nieuwe Verordening treedt in werking op 10 januari 2015.