Het niet beëindigen van een ‘slapend’ dienstverband met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer is in strijd met goed werkgeverschap, aldus de voorzieningenrechter te Den Haag. De Rechtbank Overijssel oordeelde in een andere zaak die vorige week is gepubliceerd dat het in stand houden van een 'slapend' dienstverband (vooralsnog) geen ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever met zich meebrengt.

In beide zaken speelt de Wet van 11 juli 2018, houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (de Wet compensatie transitievergoeding) die per 1 april 2020 in werking zal treden een rol. Hieronder gaan we nader in op de twee kwesties, alsook op voornoemde wet.

De voorzieningenrechter (Rb Den Haag, 28 maart 2019, C/09/569762 AR 2019-0333) oordeelt dat in het licht van de Wet compensatie transitievergoeding en de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, het niet langer vol te houden is dat het in stand houden van een 'slapend' dienstverband geen strijd met goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) kan opleveren. Ook in geval van langdurige arbeidsongeschiktheid dient de transitievergoeding ‘afgerekend’ te worden. Of in een bepaald geval sprake is van strijd met goed werkgeverschap, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De omstandigheden die de voorzieningenrechter in deze zaak mee laat wegen, zijn:

  • de werkneemster is terminaal ziek en er is geen zicht op een kans dat zij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst nog werkzaamheden zal kunnen verrichten; en
  • sinds de werkneemster uit haar statutaire functie is ontslagen, is de arbeidsovereenkomst wegens verknochtheid met de statutaire functie in feite een lege huls geworden.

Het door de stichting aangevoerde financiële belang van (het collectief) van de werkgever(s) bij het in stand houden van de arbeidsovereenkomst wordt gepasseerd. De werkgever wordt, op straffe van een dwangsom, veroordeeld tot opzegging van de arbeidsovereenkomst zonder in achtneming van een opzegtermijn en onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding.

Eind vorige jaar oordeelde ook het Scheidsgerecht Gezondheidszorg in (arbitraal) kort geding (KG 18/24) dat het in stand houden van een 'slapend' dienstverband onder omstandigheden in strijd kan zijn met goed werkgeverschap.

In de kwestie die voorlag aan de Rechtbank Overijssel gaat het om een werknemersverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hier gaat het ook om een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, waarbij er geen uitzicht is op herstel. De rechtbank wijst het verzoek tot ontbinding toe, maar oordeelt dat de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is wegens ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever.

Volgens de kantonrechter behoort het tot de keuzevrijheid/beleidsvrijheid van een werkgever om een arbeidsovereenkomst met een werknemer die meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is door opzegging te beëindigen en dat daar geen wettelijke verplichting toe bestaat. De invoering van de Wet compensatie transitievergoeding maakt dat niet anders. Die wet legt evenmin een verplichting op de werkgever om een 'slapend' dienstverband te beëindigen. Bovendien is het niet zeker dat de Wet compensatie transitievergoeding ook daadwerkelijk per 1 april 2020 wordt ingevoerd, aldus de Rechtbank Overijssel.

De kantonrechter overweegt verder dat “na inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding en nadat in de praktijk is gebleken hoe de administratieve beoordeling en afhandeling van de compensatie door het UWV geschiedt, er een situatie kan ontstaan waardoor het 'slapend' houden van een dienstverband van een zieke werknemer zonder dat na twee jaar ziekte enig uitzicht (meer) bestaat op herstel, onder omstandigheden mogelijk kan uitgroeien tot ernstige verwijtbaarheid van de werkgever, waarbij in het bijzonder te denken valt aan het geval dat de werkgever geen enkel ander rechtens te respecteren belang meer heeft dan uitsluitend het voorkomen dat een transitievergoeding moet worden uitgekeerd in weerwil van het besef dat deze geheel of grotendeels wordt gecompenseerd”.

De Wet compensatie transitievergoeding (Stb. 2018, 234) houdt onder meer in dat een werkgever die wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid door ontbinding, opzegging of wederzijds goedvinden een transitievergoeding heeft betaald, wordt gecompenseerd door het UWV. De compensatie is beperkt tot het bedrag aan transitievergoeding waar de werknemer recht op zou hebben bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op het moment dat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever eindigt. De compensatie wordt via het Algemeen werkloosheidsfond (Awf) door het collectief van werkgevers gedragen.

De Wet compensatie transitievergoeding treedt ten aanzien van de compensatie van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid in werking op 1 april 2020. Het inwerkingtredingsbesluit is op 26 februari 2019 in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2019, 76).