In de huidige markt zijn duurzaamheidseisen niet meer weg te denken en speelt de circulaire economie een steeds belangrijkere rol. In het licht daarvan zullen ongetwijfeld op korte termijn afwijkingen van de UAV 2012 de kop op steken in aannemingscontracten, bijvoorbeeld als het gaat om §§ 19 en 21 UAV 2012.

Achtergrond UAV 2012

Professionele partijen in de bouwpraktijk stellen hun afspraken op schrift. Daarvoor worden doorgaans modelbouwcontracten gebruikt waarop algemene voorwaarden van toepassing worden verklaard. Bij aanneming van werk zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en technische installatiewerken 2012 (de UAV 2012) de meest gehanteerde voorwaarden. De UAV 2012 regelt de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en aannemer naar ‘traditioneel model’: de opdrachtgever stelt de aannemer een ontwerp ter handen en de aannemer voert het werk naar dat ontwerp uit. In de praktijk wijkt men op veel punten af van de regelingen uit de UAV 2012 omdat deze standaardregelingen niet aansluiten bij de wensen van partijen.

§ 19 en 21 UAV 2012 en de circulaire economie

In de huidige markt zijn duurzaamheidseisen niet meer weg te denken en speelt de circulaire economie een steeds belangrijkere rol. In het licht daarvan zullen ongetwijfeld op korte termijn afwijkingen van de UAV 2012 de kop op steken in aannemingscontracten, bijvoorbeeld als het gaat om §§ 19 en 21 UAV 2012.

19 UAV 2012 gaat over de eigendom van de voor het werk bestemde bouwstoffen. Conform deze paragraaf worden alle voor het werk bestemde bouwstoffen eigendom van de opdrachtgever na goedkeuring van die bouwstoffen door de opdrachtgever en een afstandstandverklaring verstrekt door de aannemer. § 21 UAV 2012 bepaalt dat de uit het werk komende oude bouwstoffen eigendom blijven van de opdrachtgever. Deze regelingen sluiten niet aan bij de filosofie van de circulaire economie. Doelstellingen van de circulaire economie zijn onder meer afvalreductie, hoogwaardig hergebruik en optimalisatie van de levensduur van een product. Aanhangers van de circulaire economie sturen aan op nieuwe verdienmodellen die worden gebaseerd op gebruik in plaats van eigendom. Beoogd wordt dat de verantwoordelijkheid voor en eigendom van de grondstoffen van een product bij de producent blijft en niet terecht komt bij de gebruiker of een andere partij. Daarbij is een gedachte van de circulaire economie dat bouwstoffen hun eigen relevantie dienen te behouden. Die relevantie ontlenen de bouwstoffen aan het feit dat deze na de sloop van een groter geheel weer herbruikbaar zijn. Dat gedachtegoed verlangt dat de §§ 19 en 21 van de UAV 2012 onder de loep worden genomen. Indien deze paragrafen niet worden herzien, zullen partijen bij de bouw van een circulair object moeten voorzien in contractuele afwijkingen.

Wijzigingen in het goederenrecht en de circulaire economie

Om te waarborgen dat de eigendom van bouwstoffen bij de producent kan blijven, zullen ook wijzigingen in het goederenrecht noodzakelijk zijn. De begrippen eigendom, natrekking en bestanddeel sluiten immers niet aan bij het idee dat de eigendom van de bouwstoffen bij de producent moet (kunnen) blijven. Daarnaast zullen partijen moeten nadenken over de vestiging van goederenrechtelijke rechten die de gerechtigdheid tot de bouwstoffen afscheidt van die tot de rest van het bouwwerk, ten behoeve van degene die eigenaar zou moeten blijven van de bouwstoffen. Die regelingen moeten ook voldoende zekerheid bieden aan de financiers van het gebouw en de betreffende bouwstoffen.

Verhoudingen tussen betrokken partijen

In aanvulling op het voorgaande, zullen de diverse bij een circulair bouwproject betrokken partijen hun positie contractueel willen waarborgen. Zo zal de opdrachtgever c.q. eigenaar van het gebouw comfort willen hebben dat de bouwstoffen – bijvoorbeeld een gevel – voldoen en zullen blijven voldoen. Daarnaast zal de producent-eigenaar invloed wensen te kunnen uitoefenen op het gedrag van de gebruiker en/of kennis willen hebben van diens gedrag om de kwaliteit te kunnen waarborgen van de staat van de bouwstoffen na sloop c.q. demontage. Dit zal mogelijk leiden tot aanvullende contractuele afspraken om deze belangen van de producent te waarborgen. Daarnaast zal de behoefte versterken om de identiteit van de materialen in de keten op te nemen zodat er geen grondstoffen verloren kunnen gaan.