Het Vlaams systeem van groenestroomcertificaten (GSC), en meer bepaald de verplichting voor leveranciers om jaarlijks een bepaalde hoeveelheid GSC in te leveren, is in gevaar. Advocaat-generaal Yves Bot oordeelt in zijn conclusie1, in het kader van een procedure op prejudiciële vraag voor het Hof van Justitie, dat het Vlaamse systeem strijdig is met het vrij verkeer van goederen.

De zaak vindt haar wortels in een conflict tussen Essent Belgium en de VREG. In het kader van zijn verplichtingen, diende Essent naast Vlaamse GSC ook garanties van oorsprong, afkomstig uit de EU en de EER, in bij de VREG. De VREG meende echter dat enkel Vlaamse GSC konden worden aanvaard en legde geldboeten op. Essent stapte naar de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die prejudiciële vragen stelde aan het Hof van Justitie.

De advocaat-generaal lijkt aan te geven dat het Vlaamse systeem van GSC verenigbaar is met Richtlijn 2001/77, nu in deze richtlijn niet als zodanig de eis is opgenomen dat garanties van oorsprong met GSC worden gelijkgesteld in het kader van nationale steunregelingen voor de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

Er zou echter tevens rekening moeten worden gehouden met de regels betreffende het vrije verkeer van goederen. Richtlijn 2001/77 harmoniseert de steunregelingen voor hernieuwbare energie immers niet, zodat de lidstaten verplicht blijven om het vrije verkeer van goederen te waarborgen.

Advocaat-generaal Bot geeft aan dat het duidelijk is dat het Vlaamse systeem van invloed kan zijn op de invoer van groene elektriciteit uit het buitenland. Nu elektriciteit een goed is, mag het verkeer ervan in beginsel niet worden beperkt.

Bot geeft aan dat er wel degelijk een beperking voorhanden is. Hoewel de Vlaamse regeling elektriciteitsleveranciers weliswaar niet belet om groene elektriciteit uit andere lidstaten van de Unie of de EER in te voeren, kan deze, zij het indirect, het verkeer van groene elektriciteit belemmeren.

Het systeem leidt er immers toe dat producenten van groene elektriciteit, die gevestigd zijn in Vlaanderen, economisch worden bevoordeeld en kan leveranciers ervan weerhouden om groene elektriciteit in te voeren, nu er geen rekening mee kan worden gehouden voor het halen van hun quota. Aldus moet de regeling worden aangemerkt als een: “maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking".

De maatregel is bovendien discriminerend, vermits: “het uit de verkoop van groenestroomcertificaten voortvloeiende voordeel alleen bestaat voor de Vlaamse elektriciteitsproductie en niet voor de productie van groene elektriciteit die afkomstig is uit andere lidstaten van de Unie of de EER”. De advocaat-generaal stelt overigens: “elektriciteit met een groenestroomcertificaat is niet „groener” dan elektriciteit met een garantie van oorsprong. Het enige verschil tussen beide is hun geografische herkomst”.

Voorts is Bot van oordeel dat de litigieuze regeling niet kan worden gerechtvaardigd door dwingende eisen van milieubescherming.

Indien het Hof van Justitie de advocaat-generaal volgt, is het mogelijk dat de VREG verplicht zal zijn om (eveneens) Europese garanties van oorsprong te aanvaarden in het kader van de certificatenverplichting. Dit zou de marktprijs van GSC kenteren, nu die garanties aanzienlijk goedkoper zijn dan GSC. Bovendien zou dit het verkopen van GSC aan distributienetbeheerders tegen de minimumsteun sterk in de hand werken.