Op 23 juni 2016 besloten de Britten, tegen alle verwachtingen in, met een nipte meerderheid van de kiesgerechtigden (51,9% uit een totale opkomst van 72,2%) om te scheiden van de EU. 17.410.742 Britten lieten op die manier hun stem gelden voor ‘Leave’, terwijl ‘Remain’ niet verder kwam dan 16.141.241 stemmen. En daarmee was de meerderheid voor ‘Leave’ een feit. Maar deze cijfers verhullen enkele diepe, demografie gelieerde, meningsverschillen.

De geografische verschillen zijn bijvoorbeeld onmiskenbaar. In Engeland stemde (met trendbreuken in een beperkt aantal districten waaronder Londen) een meerderheid met een globale 53,4% van de stemgerechtigden voor Brexit en in Wales onderschreven de stemgerechtigden ‘Leave’ met een meerderheid van 52,5%, terwijl dit in Schotland bijna gespiegeld werd en 62% van de stemgerechtigden tegen Brexit stemden. ‘Leave’ haalde er zelfs in geen enkel district de meerderheid. Noord-Ierland sloot zich hierbij aan met een meerderheid van 55,8%. Hiermee werden de rollen die Schotland en Engeland in 1975 aannamen in de stemming inzake de toetreding de facto omgekeerd.

Een andere overduidelijke kloof was gebaseerd op leeftijd. Kiezers met een leeftijd van 44 jaar of jonger, stemden met een meerderheid voor ‘Remain’, en stemgerechtigden met een leeftijd binnen de categorie van 18 tot 24-jarigen, deden dit zelfs voor 73%. Een trend die zich doorzette onder de stemgerechtigden met een leeftijd tussen de 25 en 34 met een stevige 62%. Maar zodra de grens van 45 jaar overschreden werd, koos de Britse kiezer voor ‘Leave’. Stemgerechtigden met een gezegende leeftijd boven de 65 betonneerden dat standpunt zelfs met 60%.

Het mag dus niet verbazen dat er in Londen, met haar relatief jonge populatie en met alle zichtbare kenmerken en voordelen van haar functie als de financiële hoofdstad van Europa, met name gestemd werd om binnen de EU te blijven. Dat is ook logisch als men bedenkt dat bijvoorbeeld de London Stock Exchange (LSE), de grootste beurs in de EU is en in de Londense City gelegen is.

Daarenboven dient Londen traditioneel als de Europese thuishaven voor niet EU-banken en andere niet (financiële) EU-ondernemingen. Deze proberen dan veelal vanuit Londen de rest van de EU-markt te bestieren. Tevens zijn veel gelijksoortige Nederlandse entiteiten vertegenwoordigd in Londen. In die zin zal de Brexit dus ook zeker de financiële markten en het ondernemersklimaat binnen de UK, maar ook binnen de EU, niet ongemoeid laten.

Helaas zijn aan de Brexit meer onzekerheden dan zekerheden verbonden, hetgeen zelden een positieve invloed kent op de financiële markten en het ondernemersklimaat. Dit werd voorafgaand aan het referendum al duidelijk en is uiteraard niet gebeterd met het inmiddels bekende resultaat. Dit resultaat zal waarschijnlijk nog jaren onzekerheden met zich meebrengen inzake het Brexit-scenario en de juridische en minder juridische consequenties die daaruit voortvloeien. En het lijkt er, op het moment dat dit artikel geschreven wordt, op dat de UK bij monde van haar post-Brexit premier Theresa May voor een “harde” Brexit kiest.

Zo komt er in juridische zin heel wat ter discussie te staan wanneer de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU definitief is. Zo kunnen bijvoorbeeld bedrijven die in de UK gevestigd zijn voorlopig van een “Europees paspoort” gebruikmaken. Dat betekent dat bijvoorbeeld banken in de UK, met een vergunning van de Engelse financiële toezichthouder, een “Europees paspoort” kunnen gebruiken om hun diensten aan te bieden in de overige EU-lidstaten en vice versa. Maar daar kan dus een einde aan komen.

Een ander voorbeeld is dat rechtspersonen uit de UK en Nederland tot nog toe kunnen fuseren. Nederlandse rechtspersonen kunnen bijvoorbeeld een grensoverschrijdende fusie met hun Britse evenknie bewerkstelligen. Maar de mogelijkheid om op die manier tot een grensoverschrijdende fusie te komen, met entiteiten uit de UK, kan in de toekomst tot het verleden behoren.

Tevens moet Nederland toestaan dat een rechtspersoon uit de UK vooralsnog wordt omgezet in een equivalente entiteit van eigen bodem, zoals ook andere EU/EEA-lidstaten dat onderling moeten faciliteren. Maar ook dit zou na de Brexit wel eens onmogelijk kunnen worden.

Daarnaast kan het wel eens zijn, dat EU-wetgeving inzake het plaatsen van aandelen op de aandelenmarkt niet langer van toepassing zal zijn op de Nederlandse bedrijven waarvan aandelen verhandeld worden op de eerder aangehaalde LSE, hetgeen ook de nodige repercussies kan hebben in het Nederlandse bedrijfsleven.

Zo kozen de Britten ervoor om af te zien van de vermeende nadelen vanuit de EU die zij lieerden aan de vrijheden van verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, alsook de EU-bureaucratie die bedoeld was om dit te faciliteren en te harmoniseren. Nu het niet zeker is of de vermeende kosten ook verdwijnen zonder dat er andere nieuwe in de plaats komen, kan men zich voorzichtig afvragen of aan het einde van deze oefening de Britten het kind niet met het badwater weggooien?

In die zin kunnen de juridische gevolgen van de Brexit, net zoals de minder juridische gevolgen, pas met zekerheid beoordeeld worden als de Brexit-onderhandelingen tussen de UK en de EU zijn afgerond. Vandaar dat ook mijn laatste bedenking slechts een voorzichtige vraag aan de lezer is. Maar wat wel zeker is, is dat we onbetreden paden en spannende tijden tegemoet gaan die ook juridische implicaties kunnen hebben binnen zowel de UK als de EU, terwijl diezelfde onzekerheid een akelig begrip is voor het ondernemersklimaat en de gemoedsrust van banken en andere ondernemingen.