In zijn arrest van 7 maart 2013[2], had het Hof van Justitie vastgesteld dat een algemeen verbod op verkoop met verlies, zoals opgenomen in het oude artikel 101 van de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (‘WMPC’), en voor zover zulk verbod de bescherming van de consument beoogt, onverenigbaar is met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken[3]

In de nasleep hiervan oordeelde het Hof van Cassatie vooreerst dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 101 WMPC blijkt dat de wetgever beoogde naast de economische belangen van concurrenten ook de consumenten te beschermen. Hierdoor valt voormeld verbod onder het toepassingsgebied van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, waarvan enkel regelgevingen die uitsluitend de economische belangen van concurrenten beperken, uitgesloten zijn. Gezien het verbod op verkoop met verlies in het oude artikel 101 WMPC als algemeen en ongenuanceerd verbod strenger is dan wat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken voorschrijft, kan het geen toepassing vinden volgens het Hof.

Daarmee is het debat over de onwettigheid van het verbod op verkoop met verlies uit de wet marktpraktijken 2010 definitief van de baan. De vraag kan gesteld worden of deze rechtspraak ook de toepasbaarheid van het nieuwe verbod op verkoop met verlies in artikel VI.116 Wetboek Economisch Recht (‘WER’) aantast. De wetgever heeft geprobeerd die onwettigheid te vermijden door in de tekst van de wet de vermeldingen ‘[t]eneinde eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen’ toe te voegen om aldus te benadrukken dat het artikel de bescherming van de concurrenten beoogt, en niet van de consumenten. Of dat zal helpen, zal wellicht het voorwerp van nieuwe procedures moeten uitmaken. Of dat in het belang van de ondernemingen en consumenten is al de toekomst uitwijzen.