Het besluit van de Vlaamse Regering ter omzetting van de richtlijn 2010/75/EU (de ''richtlijn Industriële Emissies" of "RIE") werd gisteren gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad1.

Het Vlaamse gewest is het tweede gewest dat de RIE omzet2. Het Waalse gewest zette de RIE reeds in februari 2013 om via vier besluiten van de Waalse Regering3. Deze omzetting werd verder vormgegeven door een Besluit van 4 juli 2013 van de Waalse Regering4. Het Brussels hoofdstedelijk gewest heeft vooralsnog nagelaten om de RIE om te zetten.

Nederland finaliseert momenteel haar omzetting van de RIE. Voor meer informatie omtrent de omzetting van de RIE in Nederland, verwijzen wij naar de desbetreffende nieuwsbrief van Stibbe Amsterdam. Tot slot geven wij ook nog mee dat ook de omzetting van de RIE in Frankrijk nagenoeg finaal is5.

De RIE betreft in grote mate een herneming van zeven oude Europese richtlijnen, maar introduceert ook verschillende nieuwe concepten. Deze nieuwsbrief biedt een eerste overzicht van de meest opmerkelijke veranderingen die voor exploitanten van industri?le activiteiten van belang zijn.

  1.     DE RIE OF RICHTLIJN INDUSTRIËLE EMISSIES (2010/75/EU)

De goedkeuring van de RIE door de Europese Unie op 24 November 2010 betreft in grote mate een herneming van verscheidene bestaande Europese Richtlijnen:

  • IPPC-richtlijn6;
  • Richtlijn Grote Stookinstallaties7;
  • Richtlijn Afvalverbranding8;
  • VOS/Oplosmiddelen Richtlijn9; en
  • drie Richtlijnen voor de titaniumdioxide-industrie10.

De RIE biedt een algemeen regulerend kader voor de lidstaten bij het vaststellen van de nationale regelgeving met het oog op een geïntegreerde preventie en eliminatie van verontreiniging, veroorzaakt door bepaalde industriële activiteiten.

Behalve een herneming van de bestaande richtlijnen en de daarin vervatte verplichtingen, introduceert de RIE ook enkele nieuwe concepten en verplichtingen. De RIE houdt wel vast aan dezelfde aanpak zoals voorzien in de IPPC-Richtlijn, met name een geïntegreerde bescherming van het milieu als één geheel veeleer dan het nemen van verschillende afzonderlijke initiatieven met betrekking tot één bepaalde milieucomponent. In vergelijking met de IPPC-richtlijn, versterkt de RIE deze geïntegreerde aanpak nog.

  1.   DE OMZETTING VAN DE RIE IN HET VLAAMSE GEWEST

De eerste stap in het Vlaamse omzettingsproces van de RIE vond plaats op 25 mei 2012. Het Vlaamse Parlement introduceerde toen enkele wijzigingen aan de drie bestaande Vlaamse decreten betreffende de milieuvergunning, de algemene bepalingen houdende milieubeleid (het “DABM”) en het Bodemdecreet11. Dankzij deze wijzigingen werden de basiscontouren van het beleid inzake industriële emissies vastgelegd binnen de bestaande regelgeving. Zij hadden evenwel nog geen directe gevolgen voor industriële exploitanten.

De tweede stap betrof de goedkeuring van het besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen (“VLAREM 2012-trein”). Op 7 juni 2013 introduceerde de Vlaamse regering aldus wijzigingen aan de volgende besluiten:

  • het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning (“VLAREM I”);
  • het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (“VLAREM II”);
  • het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (“VLAREBO”).

Met de publicatie van de VLAREM 2012-trein in het Belgisch Staatsblad, is de omzetting van de RIE in het Vlaamse gewest een feit. Voor het merendeel van de bepalingen van de VLAREM 2012-trein wordt een precieze inwerkingtredingsdatum op 20 september 2013 voorzien. Er bestaan evenwel enkele uitzonderingen en regelingen van uitgestelde inwerkingtreding voor, onder andere, bestaande grote stookinstallaties.

  1.  BELANGRIJKSTE NIEUWE CONCEPTEN VOOR INDUSTRI?LE EXPLOITANTEN

3.1 De draagwijdte van industriële activiteiten wordt drastisch uitgebreid

  •  Watzegt de RIE?

Het toepassingsgebied van de RIE wordt aanzienlijk uitgebreid door het hanteren van lagere drempels.

Het toepassingsgebied van de RIE strekt zich uit tot alle industriële activiteiten vermeld in Bijlage 1. Die bijlage verwijst naar energie-industrieën, productie en verwerking van metalen, minerale industrie, chemische industrie, afvalbeheer en andere activiteiten (bijv. de uitbating van slachthuizen), en bepaalde activiteiten en installaties die organische stoffen gebruiken.

Aangezien de RIE een aantal bestaande richtlijnen vervangt, is de RIE ook van toepassing op de installaties die reeds onder het toepassingsgebied van die richtlijnen vielen. Het gaat daarbij voornamelijk om grote stookinstallaties, afval en afvalmeeverbrandingsinstallaties (elk vermogen), en titaniumdioxide-producerende installaties.

In vergelijking met de oude IPPC-Richtlijn, is de draagwijdte van de IPPC-activiteiten verruimd. Ook de volgende activiteiten en installaties vallen nu onder het toepassingsgebied van de RIE: stookinstallaties met een vermogen lager dan 50 MW; de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor gevaarlijke stoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag; de conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken; etc.

  • Nieuwe regels in VLAREM I

De ruimere draagwijdte van de RIE werd uitdrukkelijk overgenomen in de VLAREM 2012-trein. De VLAREM 2012-trein voorziet de herneming van alle categorieën van industriële activiteiten, zoals vermeld in bijlage 1 bij de RIE, in bijlage 1 bij VLAREM I.

3.2 De Best Beschikbare Technieken (BBT)

  • Watzegt de RIE?

Zoals eerder aangegeven, is een geïntegreerde aanpak ten aanzien van alle milieucomponenten essentieel teneinde de industriële emissies te verminderen. De toepassing van de Best Beschikbare Technieken (“BBT”) is het belangrijkste hulpmiddel binnen deze geïntegreerde benadering. Dit verklaart waarom de BBT een centrale plaats innemen binnen de RIE.

Het werd noodzakelijk geacht om de notie van de BBT te verduidelijken teneinde de rol van de BBT binnen de vergunningsprocedure te versterken. Dit had voor gevolg dat drie nieuwe definities werden aangenomen voor de volgende begrippen: “Best Beschikbare Technieken” (BBT)12; “BBT- referentiedocument 13” en “BBT-conclusies14”.

Overeenkomstig de RIE vormen de BBT niet enkel de basis bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden, maar ook bij het vaststellen van andere vergunningsvoorwaarden (artikel 14.3 van de RIE). De Europese Unie wenst echter verder te gaan in haar strijd om industriële emissies te voorkomen en te beperken. Zo voorziet artikel 14 (4) van de RIE dat lidstaten regels kunnen uitvaardigen die de bevoegde overheid in de mogelijkheid stellen om strengere vergunningsvoorwaarden op te leggen dan dewelke die mogelijk zijn overeenkomstig de BBT.

Principieel geldt dat de lidstaten geen emissiegrenswaarden mogen toestaan die de waarden, mogelijk overeenkomstig de BBT, overschrijden. Echter, de artikelen 15 (4) en (5) van de RIE voorzien dat de bevoegde overheden van de lidstaten van dit principe mogen afwijken in specifieke gevallen (artikel 15 (4) van de RIE) en voor het beproeven en het gebruik van opkomende technieken (artikel 15 (5) van de RIE).

  •  Nieuwe Regels in VLAREM I

Het toegenomen belang van de BBT binnen de Vlaamse vergunningsprocedure wordt weerspiegeld door verscheidene aanpassingen aan VLAREM I. Zo kan verwezen worden naar het nieuwe artikel 30bis, §6 VLAREM I. Overeenkomstig dit artikel gelden de BBT als de referentie voor de vergunningverlenende overheid bij het vaststellen van bijzondere vergunningsvoorwaarden. Het criterium van de BBT wordt aldus een bindende standaard binnen de vergunningsprocedure 15.

Het nieuwe artikel 30bis, §7 VLAREM I laat de Vlaamse vergunningverlenende overheden toe om bijzondere en strengere vergunningsvoorwaarden op te leggen dan deze die overeenkomstig de BBT mogelijk zijn. Die vergunningsvoorwaarden moeten dan geïnspireerd zijn door de nood om de mens en het leefmilieu te beschermen, maar kunnen ook worden opgelegd uit noodzaak (bijv. wanneer specifieke lokale omstandigheden een hoger niveau van milieubescherming vereisen).

Afwijkingen van het algemeen principe dat BBT de ultieme referentie vormen bij het vaststellen van vergunningsvoorwaarden zijn mogelijk. Zo kan worden verwezen naar artikel 30bis, §10 VLAREM I dat de vergunningverlenende overheden toelaat om emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat waarden, perioden en referentieomstandigheden betreft, verschillen van deze die vermeld staan in de BBT-conclusies. De vergunningverlenende overheid kan ook een tijdelijke vrijstelling toestaan van voormeld principe voor het beproeven of het gebruik van opkomende technieken.

3.3 Strengereemissiegrenswaarden

  • Watzegt de RIE?

De RIE voorziet strengere emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties en titaniumdioxide-producerende installaties.

Voor de volgende stoffen worden emissiegrenswaarden vastgesteld: CO, NOx, VOC, SO2, PM10, dioxines en furanen, TOC, HCL, HF, NO, NO2, Cd, TI, Hg, Sb, As, Pb, Cr, CO, Cu, Mn, Ni, V en Zn.

Hoewel de lidstaten algemeen verplicht zijn om de RIE ten laatste op 7 januari 2013 om te zetten in de nationale wetten, regelgeving en bestuursrechtelijke bepalingen16, wijkt artikel 82 van de RIE hiervan af en voorziet met betrekking tot de nieuwe emissiegrenswaarden in twee meer geleidelijke omzettingsregelingen:

  1. wat de installaties betreft die welbepaalde activiteiten verrichten17 en die in bedrijf zijn en een vergunning hebben vóór 7 januari 2013 of die een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend voor die datum, mits die installaties uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik worden genomen, passen de lidstaten slechts vanaf 7 januari 2014 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe (met uitzondering van hoofdstuk III18 en bijlage V 19 van de RIE);
  2.  wat de installaties betreft die niet onder het toepassingsgebied vallen van voormelde overgangsregeling20, passen de lidstaten vanaf 7 juli 2015 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe (met uitzondering van de hoofdstukken III en IV 21 en de bijlagen V en VI 22 of the IED) van de RIE;
  3. wat de in artikel 30 (2) van de RIE bedoelde stookinstallaties betreft23, passen de lidstaten vanaf 1 januari 2016 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe die overeenkomstig artikel 80, lid 1, zijn vastgesteld teneinde te voldoen aan hoofdstuk III en bijlage V.
  •  Nieuwe regels in VLAREM II

De emissiegrenswaarden (de eigenlijke waarden) werden zonder verandering overgenomen.

Het oorspronkelijke ontwerp van de VLAREM 2012-trein voorzag in een retroactieve inwerkingtreding van het besluit.

De Vlaamse Regering rechtvaardigde deze retroactieve inwerkintreding door te verwijzen naar verscheidene andere Europese richtlijnen waarvan de omzettingstermijn al lang verstreken was. De Afdeling Wetgeving van de Raad van State verzette zich uitdrukkelijk tegen deze retroactieve inwerkingtreding. Immers, de VLAREM 2012-trein beoogt de omzetting van verscheidene nieuwe (en strenge) verplichtingen (bijv. emissiegrenswaarden die tweemaal zo streng zijn als de huidige normen). Een retroactieve inwerkingtreding zou in het licht van deze vaststelling strijden met het principe van rechtszekerheid en van voorzienbaarheid van de regelgeving. In haar huidige vorm voorziet de VLAREM 2012-trein niet langer in een retroactieve inwerkingtreding. De hierin vervatte bepalingen treden bijgevolg in werking nadat de VLAREM 2012-trein is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

De VLAREM 2012-trein voorziet enkel in een afwijkende regeling van inwerkingtreding op volgend punten:

  • enerzijds, is er een algemene afwijking voor exploitanten die een volledige milieuvergunningsaanvraag hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van de VLAREM 2012-trein en voor de installaties (uitgezonderd de BKG-installaties24) die op het moment van de inwerkingtreding reeds in bedrijf waren, maar die ingevolge deze inwerkingtreding onder een nieuwe of gewijzigde rubriek van bijlage I van VLAREM I vallen, voor zover deze inrichting reeds vergunningsplichtig was op basis van de indelingslijst die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
  • anderzijds, is er een bijzondere afwijking voor installaties die onder het toepassingsgebied vallen van artikel 238 van de VLAREM 2012-trein25 en voor de GPBV-installaties, andere dan dewelke vermeld in artikel 238, die in bedrijf zijn en een milieuvergunning hebben gekregen vóór 7 januari 2013 of die een volledige aanvraag voor een milieuvergunning hebben ingediend voor die datum, als die installaties uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik worden genomen.

3.4 Situatierapport

  •  Watzegt de RIE?

De RIE overweegt dat de opmaak van een situatierapport essentieel is “om ervoor te zorgen dat door de exploitatie van een installatie de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet verslechtert” (Overweging 24 van de RIE). Deze verplichting is helemaal nieuw. Ook de voorgangers van de RIE legden geen dergelijke verplichting op.

Dit situatierapport (beter bekend als “baseline report”) stelt de nul-situatie vast. Zij betreft een praktisch hulpmiddel dat, waar mogelijk, moet toelaten om een gekwantificeerde vergelijking te maken van de toestand van de bodem zoals beschreven in het situatierapport, enerzijds, en de toestand van de bodem op het moment van definitieve stopzetting van de activiteiten, anderzijds. Deze gekwantificeerde vergelijking heeft tot doel na te gaan of de verontreiniging van de bodem en het grondwater aanzienlijk is toegenomen. Om die reden dient het situatierapport gebruik te maken van de bestaande data betreffende bodem- en grondwatermetingen alsmede van historische gegevens betreffende het vroegere gebruik van de site (Overweging (24) van de RIE). 

Overeenkomstig artikel 22 van de RIE, ontstaat deze verplichting vooraleer de exploitatie een aanvang neemt of – in geval de inrichting reeds in bedrijf is op het moment dat de regelgeving ter omzetting van de RIE in werking treedt – vooraleer een vergunning van een bestaande inrichting voor de eerste keer wordt bijgesteld na 7 januari 2013 (“voorafgaandelijke plicht”), en, tot slot, op het moment van de definitieve stopzetting van de activiteiten.

Deze voorafgaandelijke plicht is enkel van toepassing op inrichtingen waarvan de activiteiten gepaard gaan met het gebruik, de productie of de uitstoot van welbepaalde gevaarlijke stoffen. Begrijpelijkerwijs vereisen dergelijke activiteiten een grotere voorzichtigheid.

In geval uit het situatierapport, dat werd opgemaakt ter gelegenheid van de definitieve stopzetting van de activiteiten, blijkt dat de inrichting een aanzienlijke verontreiniging van de bodem en het grondwater heeft veroorzaakt ten opzichte van de situatie, zoals vastgesteld ter uitvoering van de voorafgaandelijke plicht, is de exploitant verplicht om de noodzakelijke maatregelen te treffen opdat de bodem en/of het grondwater hersteld worden in haar oorspronkelijke staat. Om die oorspronkelijke staat te kennen, kan naar het initiële situatierapport worden verwezen.

De RIE stelt bovendien dat, wanneer een verontreiniging wordt vastgesteld die een aanzienlijk risico vormt voor de gezondheid van de mens evenals voor het milieu, de exploitant de noodzakelijke maatregelen moet treffen voor de verwijdering, beheersing, inperking of vermindering van relevante gevaarlijke stoffen, zodat dit risico wordt geneutraliseerd.

  •  Nieuwe regels in VLAREBO
  •  De bestaande regels inzake bodem en grondwater samengevat

De Vlaamse regelgeving betreffende bodem en grondwater legt reeds sinds 1995 verscheidene verplichtingen inzake bodem en grondwater op aan de exploitanten van zgn. risico-inrichtingen, i.e., inrichtingen en activiteiten die worden geëxploiteerd op een zgn. risicogrond26. Het Vlaamse Bodemdecreet van 27 oktober 2006 voorziet o.m. in specifieke verplichtingen die moeten worden nageleefd bij de overdracht van een risicogrond27.

Een overdracht van risicogrond vereist de opmaak van een oriënterend bodemonderzoek (“OBO”) en, indien nodig, de opmaak van een beschrijvend bodemonderzoek (“BBO”), dat mogelijks wordt gevolgd door de opmaak van een bodemsaneringsproject.

Daarenboven moeten bepaalde exploitanten van risico-inrichtingen een OBO opmaken op periodieke basis. Deze periodieke onderzoekplicht kan voor gevolg hebben dat er ook een bodemsaneringsplicht ontstaat.

Het Bodemdecreet verplicht de exploitant van een risico-inrichting (of de gebruiker of de eigenaar) om, onder welbepaalde voorwaarden28, over te gaan tot bodemsanering van de grond waarop de verontreiniging is ontstaan, tenzij hij in aanmerking komt voor een vrijstelling.

Exploitanten van een risico-inrichting moeten de definitieve stopzetting van hun risico-activiteiten melden aan de OVAM. Deze melding moet vergezeld worden van een OBO. Afhankelijk van de resultaten van het OBO, kan de OVAM de exploitant verplichten om een BBO op te maken en, mogelijks, om een bodemsaneringsproject op te stellen..

  • Nieuwe regeling: het situatierapport

De omzetting van de in de RIE vervatte verplichting om een situatierapport op te maken leidde tot de introductie van een nieuwe bodemonderzoeksplicht in de Vlaamse regelgeving inzake bodem en grondwater (nieuw artikel 33bis van het Bodemdecreet). Enkel de exploitanten van de limitatief aangeduide risico-inrichtingen zijn verplicht om een situatierapport op te stellen. Het gaat hier om de risico-inrichtingen die in kolom 8 van bijlage 1 bij VLAREM 1 worden aangeduid met de letter S.

Een exploitant kan zich niet beroepen op de vrijstellingen die worden voorzien in de artikelen 64-6729 van het VLAREBO indien een situatierapport moet worden opgemaakt dat de nul-situatie van de bodem vaststelt.

Het is onmogelijk om de nul-situatie te bepalen ten aanzien van inrichtingen die reeds in bedrijf zijn op het moment dat de VLAREM 2012-trein in werking treedt. Dit betekent evenwel niet dat deze inrichtingen worden vrijgesteld van de verplichting om een situatierapport op te maken. In dit geval voorziet artikel 33bis, §1 van het Bodemdecreet dat een situatierapport dient te worden opgemaakt vóór 7 januari 2014 (en, in sommige gevallen, vóór 7 juli 215). Deze aanpak verschilt van hetgeen bepaald wordt in de RIE. Immers, de RIE voorziet dat een situatierapport moet worden opgemaakt vooraleer de vergunning van een inrichting voor de eerste keer wordt bijgesteld na 7 januari 2013.

De Vlaamse milieuregelgeving voorzag tot op heden niet in dergelijke periodieke heroverweging en herziening van de vergunningsvoorwaarden door de vergunningverlenende overheid. Daar komt echter verandering in via de omgevingsvergunning die binnenkort haar intrede maakt in de Vlaamse milieuregelgeving. Het idee van een periodiek onderzoek van de vergunningsvoorwaarde(n) werd alvast vertaald in het voorontwerp van decreet betreffende de omgevingsvergunning. Het situatierapport dient dan ook te worden aanzien als een begeleidende maatregel bij de uitvoering van de omgevingsvergunningsprocedure

  1.  DE OMZETTING VAN DE RICHTLIJN IN NEDERLAND: EEN VERSCHILLENDE BENADERING?

De cruciale rol van de BBT binnen de vergunningsprocedure, zoals voorgestaan door de RIE, wordt ook in de regelgeving van Nederland bevestigd. In tegenstelling tot Vlaanderen, kent Nederland wel al het systeem van de omgevingsvergunning. Deze omgevingsvergunning is permanent, maar moet af en toe worden bijgesteld en herzien. De omzetting van de RIE heeft onder meer volgende wijzigingen aan de Nederlandse Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (“Wabo”) voor gevolg:

  • de publicatie van BBT-conclusies moet worden beschouwd als “ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu”. Deze BBT-conclusies moeten worden betrokken bij de actualisering van de vergunning;
  • bij de actualisatie van een vergunning, kan de vergunningverlenende overheid voorschriften vaststellen met betrekking tot de toepassing van andere technieken dan dewelke waarvoor een vergunning werd aangevraagd. Zulks heeft tot gevolg dat de vergunningverlenende overheid kan afwijken van de inhoud van de vergunningsaanvraag..

Voor meer informatie inzake de omzettingsregeling van de RIE in Nederland, kan u terecht bij onze collega's in Amsterdam, via deze link.