Een houder van een handelsvergunning van een referentiegeneesmiddel kan zich na de beschermingsperiode waarin hij marktexclusiviteit geniet niet op grond van zijn concurrentiebelang verzetten tegen de verlening van een handelsvergunning voor een generiek geneesmiddel aan een derde. Dit heeft de Rechtbank Noord-Holland overwogen in het beroep van Teva Pharmaceuticals tegen het College ter beoordeling van geneesmiddelen. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest Olainfarm van het Hof van Justitie van de EU (C-104/13). De rechtbank is van mening dat uit dit arrest volgt dat een vergunninghouder van een referentiegeneesmiddel na het verstrijken van de beschermingsperiode geen aanspraak meer kan maken op zijn exclusieve rechten van gegevensbescherming en marktexclusiviteit. Dit betekent echter niet dat een vergunninghouder van een referentiegeneesmiddel na het verstrijken van de beschermingsperiode niet op andere gronden een beroep kan instellen tegen het verlenen van een handelsvergunning aan een derde. Omdat Teva Pharmaceuticals haar beroep uitsluitend heeft gebaseerd op haar concurrentiebelang en de beschermingsperiode is verstreken, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond omdat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan. 

LEES HIER DE VOLLEDIGE ZORG NEWS UPDATE VAN WEEK 3